zondag 28 november 2010

tsjak, kop eraf!

Na de overdosis asfalt van de voorbije weken gaan we op off-road avontuur in de Gawler Ranges: eindelijk nog eens Yes - Shit - Oh yeah baby! De klassieke ingrediënten: stenen, mul zand, modder en duinen en dan urenlang goed schudden. Buiten ons en heel veel kangoeroes, emu’s en skinks is er niemand in het park te bespeuren.
Onze drie kleine Aboriginals zijn al goed aan het leven in de natuur aangepast, ze bouwen mooie hutten en staan erop om er in te eten, voor een overnachting passen ze toch nog. Ze pletten ook stenen om kleurstof te maken, scherpen speren die ze dan harden in het vuur en kleven scherpe stenen met hars van de bomen aan een stok om een bijl te maken. Vooral Chim leeft zich helemaal in en vraagt bij alles wat hij ziet springen, kruipen of vliegen of hij het mag ‘spiesen’ of ‘tsjak, kop eraf!’. Zolang we eten genoeg hebben, moeten we hem teleurstellen.
In het volgende park, Murray River NP kamperen we weer helemaal alleen aan een rivier in de bossen, zalig. Tot onze verbazing hebben we er wel internetverbinding en kunnen we skypen met het thuisfront. Op verschillende plaatsen word je hier nog met de auto op een vlot de rivier overgetakeld, het heeft wel iets. Dit is ook de streek van de houseboats, varende luxewoningen, maar wij moeten ons beperken tot langs de kant staan gapen en kwijlen.
Overal, zelfs in een klein dorpje vind je hier speeltuinen en die in Monash wordt door onze kinderen bekroond tot ‘beste speeltuin ooit’, vooral de schommel die je niet in gang moet schommelen doet het goed. Je kruipt met de schommel in de hand op een soort tribune tot de gewenste hoogte (tot een meter of 4 - 5) en springt er dan gewoon op.
We naderen Adelaide, tijd voor het beproefde scenario als we een ‘grootstad’ naderen: via internet een betaalbare camping zoeken (de prijzen zijn soms echt belachelijk hoog), dan vol goede moed met het openbaar vervoer erheen en in het besef dat ook deze stad ons ding niet is weer terug. Wel een aanrader was het ‘Museum of South Australia’, superinteressant, je zou er dagen in kunnen ronddolen. Onze Nio moesten we er dan ook buiten slepen. De zalen over geologie en fossielen in outback SA doen ons beseffen dat we daar tijdens onze eerste reis te snel doorheen gesjeesd zijn. Nu hebben we zogezegd tijd en nog is het wikken en wegen wat wel en wat niet op het programma komt.
Wat we in elk geval niet wilden weglaten zijn de werelderfgoed-grotten van Naracoorte die adhv daar gevonden fossielen een beeld geven van de dieren die 200 à 500 duizend jaar geleden Australië bevolkten… fascinerend.
Na nog wat tussenstops de grens over naar Victoria en op naar de Grampians, in 1999 het eerste park dat we bezochten en we vragen ons af of we er nu nog steeds zo weg van zouden zijn. Wat we verwacht hadden, blijkt ook uit te komen: het blijft een prachtig stuk natuur om in rond te dolen, maar gewenning heeft de betovering voor een groot deel verbroken. Ook de Aboriginal rock-art hier heeft, gezien zijn leeftijd, wel zijn waarde maar is eigenlijk wat zielig.
Nio droomt al lang van een boemerang die echt terugkomt (hun zelfgemaakte vliegt al wel goed weg…) en Finke vroeg zich dan weer af of dat ding dan voor u blijft stilhangen zodat je het weer kan pakken… Onder leiding van zwaar verdund aboriginalbloed leren we de kneepjes van het vak en Nio slaagt erin de boemerang inderdaad terug te laten komen, al is het wel afwachten naar waar juist: het scheelde echt geen haar of Chim was zelf ‘tsjak, kop eraf!’.

woensdag 3 november 2010

krokante kousen

Omdat ne mens nu eenmaal de neiging heeft om over de leuke en mooie dingen te vertellen en de rest een beetje te ‘vergeten’, is het misschien eens tijd om onze reis eens langs de andere kant te bekijken, gedaan met al dat positief gedoe. In Albany beleven we zowat de meest grijze en regenachtige dag van onze reis tot hiertoe. De tenten worden zelfs vanbinnen nat en de sfeer daalt met de temperatuur mee. We duiken onder in Whaleworld, een oude walvisverwerkingsfabriek met harpoenboot, machines, skeletten, enz. Moet nen beestigen business zijn geweest (nog eens eentje voor Willy Vandersteen), maar echt heel interessant en tof ingevuld in de oude fabriek. (sorry, dat was positief.) Als we alles twee maal bezocht hebben en de filmpjes in de silo’s voor walvisolie een paar keer gezien hebben, regent het nog en doen we uit armoede nog een ander museum aan tot sluitingstijd. Dan maar ergens iets gaan eten om toch binnen te zitten tot we onherroepelijk terug naar de tent moeten, waar we om wat op te warmen vanonder een zeil van een kampvuurtje proberen te genieten. ‘s Morgens alles nat inpakken en op naar Esperance. Onderweg spot Nio nog een walvis met kalf in een prachtige blauwe baai (oeps, weer een slippertje) en we kamperen in Lucky Bay, waar we volledig in lijn met dit verhaaltje weer geen geluk hebben met vissen. De grote zeehond die ons komt aangapen zal er wel voor iets tussen zitten.
Voorts heeft onze auto het ‘s morgens al twee maal laten afweten om te starten en zoals het hoort was dat telkens ergens in de broesse waar we helemaal alleen waren. Een beduidende stijging van het stressniveau van sommige deelnemers was onmiskenbaar, maar door de tweede batterij (van de koelkast) met startkabels aan de startbatterij te koppelen geraakten we toch weg.
Een woordje over de muggen is hier ook wel op zijn plaats. Marleen en Finke hun benen hebben al enkele weken vol boebels gestaan. We zijn hier wel om beestjes te zien maar de vliegen (c*t-vliegen of onder ons gekend als ‘cutties’ zijn zondermeer ELLENDE… ). Ze buzzen constant rond uw kop en tot in uw oren, kruipen in uw ogen en mondhoeken en kriebelen zó dat je er compleet seniel van zou worden. De opdringerige beesten zijn soms met zovelen dat ze (als ware het hier een democratie) mee bepalen of we ergens nog een dag blijven of uit miserie toch maar ophoepelen.
Dan het gerief: als je vijf mensen plus alle spullen voor een jaar in één auto steekt, zakt de moed soms in de schoenen als je iets bepaald nodig hebt dat ergens achterin zit. Als we na een ritje de koffer opentrekken, vindt een zowat tot ritueel verworden graviteitstest plaats.
Een ander gevoelig punt is vuile kleren. In dit land van stenen, stof en zand is alles al kamperend snel vuil en kapot, zeker bij de kinderen maar die storen er zich totaal niet aan. Soms lijken we wel ‘familie Flodder in Australië’. Ma Flodder heeft het vaak moeilijk om zich in haar rol in te leven en gruwelt dan ook als Nio breed lachend meldt dat zijn kousen ‘weer heerlijk krokant zijn’! (De krokante kousen … Willy?)
Een ander minpuntje is dat we een paar keer ergens zijn weggejaagd, ondanks dat het over verlaten plekken gaat. Op 4 maanden tijd valt dat wel mee, maar het blijft zeer on-Australisch. Vooral aan de Westkust word je haast gedwongen om mee in een caravanparc geperst te worden. Voor een land met zoveel ruimte is het ontstellend hoeveel mensen zich gedwee op enkele vierkante meters laten oplijnen en er dan nog veel geld voor betalen ook. Langs de andere kant is alles vrij laten ook niet evident gezien de enorme toename van het aantal toeristen, tegenover de eerste keer dat we hier waren is het verschil duidelijk merkbaar. Een aantal verknalt het dan ook grondig door vuilnis gewoon op de grond te gooien, op één kampeerplek hebben we meer dan 20 kroonkurken in de vuilbak geworpen en minstens evenveel stukken glas. Soms komen we van een wandeling naar een idyllische waterval terug met een zakje vol PET-flessen, sleffers en andere troep… te irritant om te laten liggen.
Doch dit geheel terzijde, terug naar onze trip, waar we van west naar oost doorsteken, 1200km rechtdoor, o.a. over de Nullabor-vlakte bekend voor zijn grotten waar je niet in mag en meteorietdeeltjes die je niet vindt. Volgens de toeristische blaadjes: ’One of the exciting great road trips in the world’ en ’The Nullabor is a must do for any traveler’. Omdat we u deze memorabele road trip niet willen onthouden, hebben we een kleine fotoreportage gemaakt. Als je naar elke foto een dik half uur kijkt alvorens naar de volgende te gaan, krijg je een redelijk goed beeld van het ‘excitement’ dat ons te beurt viel. De afstand, tot daar, maar de hindernisloze saaiheid van rechtdoorasfalt …