We gaan u even een kleine timegap laten ondergaan (een taloor is niet nodig, er zijn geen aliens mee gemoeid). Vermits we altijd wat later zijn met onze berichten: dit is er nog eentje van in 2010.
Eens we na Tasmanië het vasteland ‘s morgens vroeg terug oprijden, proberen we zo snel mogelijk aan de drukte van Melbourne te ontsnappen: winkelen, tanken en de Australische Alpen in. Bergen, bossen en stromende rivieren, de gevolgen van de grote hoeveelheden regen zijn overal merkbaar (en dit is nog niks vergeleken met de overstromingen in Queensland) Er zijn rivieren die over straat lopen en stuwmeren die volgens de locals sinds de dammen gebouwd zijn niet zo hoog hebben gestaan. Na een dag en een nacht regen is alles nog maar eens drijfnat en zijn verschillende wegen afgesloten. Op onze kaart biedt de ‘Billy goat track’ een uitweg om niet helemaal terug te moeten rijden. Moet voor de geiten al een zwaar tochtje zijn geweest, wij zijn er dik twee uur zoet mee om de negen, vaak steile (in 1ste low!) kilometers over natte rotsen en uitgespoelde sporen af te leggen. Marleen en Nio zien het in de auto zo niet meer zitten en gaan te voet, om bijna gelijktijdig met de auto aan te komen.
Via de prachtige vallei van de Snowy River, waar we een aantal dagen kamperen, rijden we naar Canberra, de synthetische hoofdstad. Juist het feit dat de stad volledig gepland en ontworpen is, en niet historisch gegroeid, maakt ook dat er een aantal pijnpunten van een typische grootstad verholpen zijn. Met de auto ergens geraken en parkeren is geen probleem en het principe van een centrum (Capital Hill) met satellietwijken eromheen zorgt ervoor dat je overal onmiddellijk in het groen zit, een stad in het bos eigenlijk.
Het National Australia museum is een voltreffer. Nio moet bij sluitingstijd met tranen in de ogen buitengewerkt worden, we beloven om de volgende dag terug komen om de rest te zien. Een probleem is dat niet want we kamperen stiekem achter het museum: in het groen, aan het water, met Capital Hill aan de overkant, in welke hoofdstad lukt dat? De volgende dag tegen het openingsuur zijn de tenten netjes opgeborgen en staan we aan de ingang te wachten. Er is een tijdelijke tentoonstelling over de Canning Stock Route, leerzaam, mooi en ingenieus gepresenteerd met allemaal gekoppelde touch screens die de volledige route weergeven. Er kruipen miertjes, slangen en thorny devils over de schermen en je kan met je vingers in het e-zand schrijven. Je komt er vanalles te weten over de geschiedenis, de (naar hedendaagse normen) schandalige praktijken, de route en de ‘wells’ die een doorsteek met vee door dit onherbergzaam stuk land mogelijk maakten. hANNo, dit hadden jullie moeten kunnen zien, het zou zeker voor heimwee en een opstoot van chronische Australitis gezorgd hebben.
Van Canberra gaat het naar de oostkust waar we (op kerstdag) op de koffie gaan bij Fred en Gisela, die we in de Alpen leerden kennen en net als vele andere grijze nomaden die we ontmoetten gastvrij, jong van geest en open van hart op hun pensioen rondreizen door Australië.
Op de laatste slaapplek voor Sydney ziet Chim als eerste de wombats, hij is super fier, zijn ijsje is binnen! Nog een keer goed uitregenen en met het rituele drogen en mooi inpakken van de tenten sluiten we een hoofdstuk af…
Na een half jaar kamperen, 22.000 km bollen, buiten leven, op de grond slapen, van de natuur genieten afbreken en opbouwen, stof vreten en regen slikken, is vooral Marleen toe aan iets anders.
We gaan 10 dagen in een appartementje wonen (‘ons hotelleke’ volgens de kinderen) samen met ons bezoek uit België! Vooral Chim heeft lang afgeteld en nu komt eindelijk zijn peter op bezoek (AKA Mister Brammie). Bram is blijkbaar immuun voor jetlag en gaat mee op stap naar Sydney en Botany Bay, is een gewillig slachtoffer om monopoly mee te spelen en laat ons eens in alle rust (lees zonder kinderen) uit gaan eten, heerlijke Thai. Het worden gezellige, late avonden en we bereiden ons voor op het volgende deel van de reis. Voor wij naar Nieuw Zeeland vertrekken en Bram zijn rondreis door Australië begint gaan we samen de auto stallen in Sydney en nemen opnieuw voor een half jaartje afscheid.
Lieven, Marleen, Nio (9 jaar), Finke (7 jaar) en Chim (5 jaar) reizen 1 jaar doorheen Australië en Nieuw-Zeeland
zondag 23 januari 2011
donderdag 6 januari 2011
dinsdag 4 januari 2011
heavens gate
Als we in lange rijen staan aan te schuiven om de boot naar Tasmanië op te rijden, ziet Finke het niet meer zitten: ‘Gaan die allemaal naar Tasmanië? Dat gaat daar veel te druk zijn!’ Met een oppervlakte van meer dan twee keer België en een inwonersaantal van een half miljoen valt dat wel mee natuurlijk. Eenmaal op de boot spreken de kinderen het woord ‘luxe’ wel 20 keer uit. Ook al is de kajuit nog zo klein, er is een badkamer(tje), echte bedden en één stoel met leuning, al neemt die wat te veel plaats in. Het is een heel rustige zee, maar Marleen is er na een tijd toch ziek van en ‘recupereert’ haar avondeten… nadien gaat het iets minder slecht. Het eerste dat we in Tasmanië doen na een nachtje varen is pilletjes kopen tegen motion sickness, die hebben we dan alvast voor de terugreis.
De afstanden vallen hier veel beter mee dan op het vasteland, maar de reistijden blijven lang, met heel veel kronkelende wegen door de heuvels. Naast een aantal natuurparken en prachtige stranden bezoeken we Port Arthur, waar de meeste veroordeelden voor Van Diemen’s Land naartoe werden gestuurd. En Sarah Island, waar diegenen die in de kolonie terug een misdrijf begingen een poosje mochten verblijven om in barre omstandigheden dwangarbeid te verrichten, al dan niet aangemoedigd door de kat met negen staarten. Heel educatief zo’n reis, de kids hebben weer heel wat bijgeleerd en spelen dan ook convictje en alle mogelijke touwtjes worden aaneengeknoopt tot een busseltje van negen met knoopjes aan de uiteinden… tijd voor een kleine ouderlijke interventie. We bezoeken beide oorden op een zonnige dag en in die prachtige baaien met groene eilanden is het er nu zo idyllisch dat je je moeilijk voor de geest kan halen welke miserie de gevangenen nog geen 200 jaar geleden te beurt viel. Wel zonde dat er in een poging tot collectief geheugenverlies zoveel vernield is door brand, verwaarlozing en zelfs dynamiet, het verleden van deportaties en meedogenloze strafkampen trekt nu toeristen en brengt geld binnen maar was jarenlang een schande die men liefst wou uitwissen.
We kamperen vlak bij Hells Gate en kunnen daar een paar avonden genieten van een ondergaande zon op een plek waar vroeger, vooral bij ruig weer, vele billen werden dichtgeknepen als de schepen de smalle passage tussen de rotsen moesten nemen, omringd door zandbanken (staat een mooie anekdote van in ‘de fatale kust’ van Robert Hughes). Ook al is het allemaal relatief recent, het is hier heerlijk geschiedenis absorberen, eindelijk de prentjes bij de tekst.
Tijdens onze reis is één van de hoofdbezigheden van de kinderen dieren zoeken en voor sommige moeilijk te vinden exemplaren heeft Lieven een ijsje uitgeloofd. Voorwaarden: het moet in het wild zijn en om een levend dier gaan. Hoog op het verlanglijstje staan: een thorny devil, een platypus een een eastern quoll. Buiten categorie zijn de Tasmaanse tijger en de moa (in Nieuw-Zeeland), beiden hoogstwaarschijnlijk uitgestorven. In Mount Field slaagt Marleen erin om twee maal een platypus te spotten, één keer mooi vlakbij waarna Chim een week lang wou dat hij mama was.
Hobart is een toffe stad aan het water, waar het zwarte schip met piratenvlag van SeaShepherd.org ligt af te tellen om de Japanse walvisjagers lastig te gaan vallen.
We gaan een aantal dagen op Bruni Island kamperen (‘Ja Marleen, dat is wel met den boot, maar echt maar heel eventjes overzetten.’) waar vroeger Abel Tasman en Furneau evenals James Cook, Bligh en d’Encastreaux aanmeerden, hoog maritiem bezoek dus, wij zien enkel nog pinguïns aan land komen.
De watervallen, ondoordringbare regenwouden, heuvels, rivieren, meren en baaien maken van Tasmanië een prachtig eiland en bij Lieven knaagt het dan ook wel wat dat, met de kinderen en onze huidige uitrusting, een meerdaagse trektocht door de wildernis er niet in zit. De hele wereld is spijtig genoeg al volledig in kaart gebracht, maar hier moet je enkel die kaart vergeten mee te nemen om ontdekkingsreiziger te worden.
De afstanden vallen hier veel beter mee dan op het vasteland, maar de reistijden blijven lang, met heel veel kronkelende wegen door de heuvels. Naast een aantal natuurparken en prachtige stranden bezoeken we Port Arthur, waar de meeste veroordeelden voor Van Diemen’s Land naartoe werden gestuurd. En Sarah Island, waar diegenen die in de kolonie terug een misdrijf begingen een poosje mochten verblijven om in barre omstandigheden dwangarbeid te verrichten, al dan niet aangemoedigd door de kat met negen staarten. Heel educatief zo’n reis, de kids hebben weer heel wat bijgeleerd en spelen dan ook convictje en alle mogelijke touwtjes worden aaneengeknoopt tot een busseltje van negen met knoopjes aan de uiteinden… tijd voor een kleine ouderlijke interventie. We bezoeken beide oorden op een zonnige dag en in die prachtige baaien met groene eilanden is het er nu zo idyllisch dat je je moeilijk voor de geest kan halen welke miserie de gevangenen nog geen 200 jaar geleden te beurt viel. Wel zonde dat er in een poging tot collectief geheugenverlies zoveel vernield is door brand, verwaarlozing en zelfs dynamiet, het verleden van deportaties en meedogenloze strafkampen trekt nu toeristen en brengt geld binnen maar was jarenlang een schande die men liefst wou uitwissen.
We kamperen vlak bij Hells Gate en kunnen daar een paar avonden genieten van een ondergaande zon op een plek waar vroeger, vooral bij ruig weer, vele billen werden dichtgeknepen als de schepen de smalle passage tussen de rotsen moesten nemen, omringd door zandbanken (staat een mooie anekdote van in ‘de fatale kust’ van Robert Hughes). Ook al is het allemaal relatief recent, het is hier heerlijk geschiedenis absorberen, eindelijk de prentjes bij de tekst.
Tijdens onze reis is één van de hoofdbezigheden van de kinderen dieren zoeken en voor sommige moeilijk te vinden exemplaren heeft Lieven een ijsje uitgeloofd. Voorwaarden: het moet in het wild zijn en om een levend dier gaan. Hoog op het verlanglijstje staan: een thorny devil, een platypus een een eastern quoll. Buiten categorie zijn de Tasmaanse tijger en de moa (in Nieuw-Zeeland), beiden hoogstwaarschijnlijk uitgestorven. In Mount Field slaagt Marleen erin om twee maal een platypus te spotten, één keer mooi vlakbij waarna Chim een week lang wou dat hij mama was.
Hobart is een toffe stad aan het water, waar het zwarte schip met piratenvlag van SeaShepherd.org ligt af te tellen om de Japanse walvisjagers lastig te gaan vallen.
We gaan een aantal dagen op Bruni Island kamperen (‘Ja Marleen, dat is wel met den boot, maar echt maar heel eventjes overzetten.’) waar vroeger Abel Tasman en Furneau evenals James Cook, Bligh en d’Encastreaux aanmeerden, hoog maritiem bezoek dus, wij zien enkel nog pinguïns aan land komen.
De watervallen, ondoordringbare regenwouden, heuvels, rivieren, meren en baaien maken van Tasmanië een prachtig eiland en bij Lieven knaagt het dan ook wel wat dat, met de kinderen en onze huidige uitrusting, een meerdaagse trektocht door de wildernis er niet in zit. De hele wereld is spijtig genoeg al volledig in kaart gebracht, maar hier moet je enkel die kaart vergeten mee te nemen om ontdekkingsreiziger te worden.
Abonneren op:
Posts (Atom)
