Het is meer dan vierduizend kilometer geleden dat we nog eens een verkeerslicht tegenkwamen en we beseffen meteen wat dat betekent: terminus Darwin!
Na een jaar van zwerven en we zien wel, van vuile handen en zwarte voeten, van kapotte kleren en stof vreten, van speren en steenbijlen, van recordhoeveelheden regen, van buitenleven in koude of hitte en toch een heel jaar niemand ziek… Het is voorbij: geen lauw water meer drinken, geen toads meer vangen, niet meer op de grond slapen, geen achterlijfjes van groene mieren meer leegzuigen, geen WC brillen meer nakijken voor redbackspiders, geen vliegen meer die dorsten naar oogsap, niet meer afwassen met een verstuiver… maar wel met water dat gewoon uit de kraan komt, warm indien gewenst, stoelen met een leuning, een slaapplaats die niet meer afhankelijk is van ondergrond, windrichting, schaduw, takken die naar beneden kunnen komen of hars dat van bomen druipt. Maar ook geen dieren meer rond de tent, geen weidse natuur, geen kampvuur, geen kookaburra-wekker en geen kraai met onze favoriete ‘platte-batterij-roep’.
De tijd is gekomen voor de Totté-tribe om, uitblinkend in maatschappelijke onaangepastheid, terug richting beschaving te gaan. Nio droomt van Lego en boeken, Finke van spinaziepizza’s, Chim van Jommekesboeken, Marleen van een keuken en een bed dat klaarstaat en voor Lieven geen ‘Clancy of The Overflow’ meer (Banjo Paterson)… Het is ‘back to the office‘, met een deportatieloze veroordeling tot heimwee ‘for the term of his natural life’ (Marcus Clarke).
En allemaal zijn we benieuwd om familie en vrienden weer te zien en bij te praten. De kinderen proclameren al weken dat iedereen het weer gaat zeggen: ‘Amai gij zijt groot geworden!’
Op zo’n reis heb je de gelegenheid om wat na te denken en één en ander te beseffen:
- uw kinderen voor een intellectuele injectie naar school kunnen brengen is een luxe waar je nauwelijks stil bij staat.
- uw kinderen dag en nacht in de meest uiteenlopende situaties meemaken is een nog grotere luxe.
- uw kinderen elke minuut van elk uur van elke dag en nacht meemaken is soms om compleet ZOT van te worden. Misschien dat voor de kids een asielaanvraag binnen de familie nu wel aangewezen is. Enkele dagen parentaal verlof zal onze geduldbatterijen weer opladen, ook al zullen we hen na zo'n jaar permanent samen de volgende dag al missen.
- de wereld is een onwaarschijnlijk prachtige plek, zonde dat je er in België zo weinig van ziet.
- na een jaar geschiedenis te zien, te horen en te lezen, kan je niet anders dan besluiten dat je de geologische femtoseconde van je leven maar beter goed kan benutten.
- hopelijk hebben de kinderen er wat van opgestoken, al is het maar dat ervaringen het leven rijker maken dan bezittingen.
- Tip voor zij die er ook aan denken om met kinderen een jaar de mallemolen van het dagelijkse leven achter zich te laten: het is reizen, maar verwar het niet met verlof. De verwachtte zeeën van tijd zijn imaginair…. Maar toch doen!
Tenslotte nog dit:
Hoe groot zijn de kansen van een man die aan zijn vrouw vraagt om een jaar met drie kinderen aan de andere kant van de wereld rond te gaan zwerven?
Inderdaad, verwaarloosbaar klein en toegegeven, er zijn verstandiger manieren om zoiets aan te brengen. “Allez schatje, het is maar een jaar!” is ook niet meteen het effectiefste argument, ook al was hij begonnen over een reis van twee jaar om nadien toegeeflijk te kunnen zijn.
Hoe kan dat dan toch lukken? Ik zie u al verschillende mogelijkheden bedenken:
- of hij houdt langer vol dan de meesten
- of zij is deurmattig
- of hij is extreem manipulatief
- of de compensaties zijn exuberant en zullen de rest van zijn leven domineren
- of zij is gewoon ongelooflijk, moediger dan ze zelf zou inschatten en voorzien van een kleine overdosis altruïsme…
We houden het op het laatste.
In elk geval is zijn dankbaarheid niet aflatend, haast buitensporig maar dan nog ontoereikend en volledig doordrongen van het besef: dat pakt geen twee keer!
langsdeanderekant
Lieven, Marleen, Nio (9 jaar), Finke (7 jaar) en Chim (5 jaar) reizen 1 jaar doorheen Australië en Nieuw-Zeeland
zondag 26 juni 2011
maandag 20 juni 2011
het niets
Een tijdje geleden kwamen we twee Duitse meisjes tegen die de afstand Darwin - Cairns (een 3000 km) afwisselend rijden/slapen in twee dagen hadden afgehaspeld “omdat ertussen toch niets is!” Ik kreeg spontaan hartritmestoornissen, onwillekeurige darmcontracties, tollende bloeddoorlopen ogen en chronische oorlelspasmen. (om maar te zeggen: om niet goed van te worden.) Onze wedervaren in ‘het niets’:
Eenmaal Chim zijn zesde verjaardag verteerd (hij wou pizza en pannenkoeken eten) verlaten we Cairns richting Undarra. We wandelen en zwemmen er in gigantische door lava gevormde tunnels. We varen een paar dagen later door de paradijselijke kloven van Cobbold Gorge, die zo smal zijn dat het elektrisch aangedreven bootje er niet kan draaien. Het ding heeft voor- en achteraan een motor en de schipper wisselt gewoon van plaats om terug te varen, een bijzondere plek. Een stel rivercrossings brengt ons naar Agate Creek, waar een namiddagje zoeken ons een hoopje agaten oplevert dat al ernstige vragen doet rijzen over hoeveel overgewicht we naar het vliegtuig dreigen te slepen. Lieven en de kids zouden hier kunnen blijven zoeken, maar we zitten door onze voedselvoorraad dus op naar een iets minder outbackerig plaatsje voor een winkel.
We komen nu stilaan in een gebied dat vele miljoenen jaren geleden de binnenzee van Australië vormde en gekend is voor fossielen en dinosaurussen. In het voorbijrijden zie je inderdaad niets, dus halen we materiaal boven en beginnen te graven op een ‘fossil site’. Best een spannend geduldwerkje en zoals bij alle voorgaande graafactiviteiten treedt verslaving onmiddellijk in. We slaan onze tent ter plekke op en vanaf de eerste zonnestralen is Nio alweer ontbijtloos verdwenen om te gaan graven. Het is eveneens de zon die beslist dat we ‘s avonds best stoppen.
De dag erna trekken we naar het labo van het museum in Richmond om onze vondsten te laten identificeren. Blijkbaar hebben we een fossiel botje van een schildpad bovengehaald, een onderkaak van een vis, belemnites (ruggengraten van prehistorische pijlinktvissen) en coprolite, niets meer dan een geleerde naam voor fossiele uitwerpselen. De boeiendste vondsten zijn echter een botje van de flipper en een ruggenwervel van een Ichthyosaurus van 100 miljoen jaar geleden… weer een termijn om van te duizelen! Hier in Richmond vinden ze dat allemaal best normaal, maar voor ons is het een superervaring om stukken op te graven van een meterslang dier met impressionante rijen tanden dat hier onbevattelijk lang geleden rondzwom. Nio en Lieven volgen dan een workshop in het labo om fossielen te leren kuisen en bewaren. Na een dagje tandartsgeluiden met een pneumatische drilnaald, zijn onze fossielen van steenresten ontdaan en voorzien van een beschermlaag.
Een paar honderd kilometer zuidelijker (naar Aussie-normen een dorp verder dus), bij Winton zijn het dan weer landdino’s die levens veranderen. Ook hier was het een landbouwer die per ongeluk fossielen vond, aan het opgraven sloeg en nu, dik tien jaar later, als afgestudeerd paleontoloog een museum en labo leidt en opgravingen coördineert.
Kinderen en dino’s zijn een goede combinatie en ze steken heel veel op, maar als we een site bezoeken waar duizenden sporen van dino’s te zien zijn, slaat de verveling toe. Het is weinig visueel, geen skeletten, wel veel uitleg in het Engels en voor de eerste keer in een museum schamen we ons voor het storende gedrag van Finke en Chim. Gelukkig is er tijdens die tour slechts één ander koppel dat veel begrip toont.
Niets zo motiverend voor onze kids als zelf graven en een aangenaam contact in Winton doet ons besluiten toch langs Opalton te rijden. John en Leanne nemen ons op sleeptouw langs hun en andere claims en wijden ons in in het wereldje van opalen. Resultaat: een keigezellige avond aan het kampvuur en weer wat kennis en gewicht om mee naar huis te nemen.
Onze kleren en schoenen zijn stilaan zo versleten dat veel de vlucht naar België niet gaat meemaken, hopelijk kunnen we zo één en ander compenseren. Na voedselvisioenen, die al enkele maanden geregeld de kop opsteken, begint de vlucht naar huis en het weerzien in België nu meer en meer onderwerp van gesprek uit te maken. Om het op z’n Chims te zeggen: “Ik heb nu zo lang gerezen dat ik van thuis niks meer weet.”
Eenmaal Chim zijn zesde verjaardag verteerd (hij wou pizza en pannenkoeken eten) verlaten we Cairns richting Undarra. We wandelen en zwemmen er in gigantische door lava gevormde tunnels. We varen een paar dagen later door de paradijselijke kloven van Cobbold Gorge, die zo smal zijn dat het elektrisch aangedreven bootje er niet kan draaien. Het ding heeft voor- en achteraan een motor en de schipper wisselt gewoon van plaats om terug te varen, een bijzondere plek. Een stel rivercrossings brengt ons naar Agate Creek, waar een namiddagje zoeken ons een hoopje agaten oplevert dat al ernstige vragen doet rijzen over hoeveel overgewicht we naar het vliegtuig dreigen te slepen. Lieven en de kids zouden hier kunnen blijven zoeken, maar we zitten door onze voedselvoorraad dus op naar een iets minder outbackerig plaatsje voor een winkel.
We komen nu stilaan in een gebied dat vele miljoenen jaren geleden de binnenzee van Australië vormde en gekend is voor fossielen en dinosaurussen. In het voorbijrijden zie je inderdaad niets, dus halen we materiaal boven en beginnen te graven op een ‘fossil site’. Best een spannend geduldwerkje en zoals bij alle voorgaande graafactiviteiten treedt verslaving onmiddellijk in. We slaan onze tent ter plekke op en vanaf de eerste zonnestralen is Nio alweer ontbijtloos verdwenen om te gaan graven. Het is eveneens de zon die beslist dat we ‘s avonds best stoppen.
De dag erna trekken we naar het labo van het museum in Richmond om onze vondsten te laten identificeren. Blijkbaar hebben we een fossiel botje van een schildpad bovengehaald, een onderkaak van een vis, belemnites (ruggengraten van prehistorische pijlinktvissen) en coprolite, niets meer dan een geleerde naam voor fossiele uitwerpselen. De boeiendste vondsten zijn echter een botje van de flipper en een ruggenwervel van een Ichthyosaurus van 100 miljoen jaar geleden… weer een termijn om van te duizelen! Hier in Richmond vinden ze dat allemaal best normaal, maar voor ons is het een superervaring om stukken op te graven van een meterslang dier met impressionante rijen tanden dat hier onbevattelijk lang geleden rondzwom. Nio en Lieven volgen dan een workshop in het labo om fossielen te leren kuisen en bewaren. Na een dagje tandartsgeluiden met een pneumatische drilnaald, zijn onze fossielen van steenresten ontdaan en voorzien van een beschermlaag.
Een paar honderd kilometer zuidelijker (naar Aussie-normen een dorp verder dus), bij Winton zijn het dan weer landdino’s die levens veranderen. Ook hier was het een landbouwer die per ongeluk fossielen vond, aan het opgraven sloeg en nu, dik tien jaar later, als afgestudeerd paleontoloog een museum en labo leidt en opgravingen coördineert.
Kinderen en dino’s zijn een goede combinatie en ze steken heel veel op, maar als we een site bezoeken waar duizenden sporen van dino’s te zien zijn, slaat de verveling toe. Het is weinig visueel, geen skeletten, wel veel uitleg in het Engels en voor de eerste keer in een museum schamen we ons voor het storende gedrag van Finke en Chim. Gelukkig is er tijdens die tour slechts één ander koppel dat veel begrip toont.
Niets zo motiverend voor onze kids als zelf graven en een aangenaam contact in Winton doet ons besluiten toch langs Opalton te rijden. John en Leanne nemen ons op sleeptouw langs hun en andere claims en wijden ons in in het wereldje van opalen. Resultaat: een keigezellige avond aan het kampvuur en weer wat kennis en gewicht om mee naar huis te nemen.
Onze kleren en schoenen zijn stilaan zo versleten dat veel de vlucht naar België niet gaat meemaken, hopelijk kunnen we zo één en ander compenseren. Na voedselvisioenen, die al enkele maanden geregeld de kop opsteken, begint de vlucht naar huis en het weerzien in België nu meer en meer onderwerp van gesprek uit te maken. Om het op z’n Chims te zeggen: “Ik heb nu zo lang gerezen dat ik van thuis niks meer weet.”
vrijdag 10 juni 2011
tikkerke
Broken River, 6 uur ‘s morgens en nevels over de bossen. Wij kruipen onze tent uit en de ochtendkilte in, hopend een platypus te zien. Dit normaal gezien verlegen beestje trekt zich hier niet veel van mensen aan en we zien er verschillende, zelfs uren aan een stuk tot Chim ze regelrecht beu is.
Verder noordwaarts langs de oostkust gaan we, totaal onverschillig voor wat Sint Gerardus er van mag vinden, eens een kijkje nemen in Mission Beach. Een paar maanden geleden is cycloon Yasi hier doorheen geraasd en vele daken zijn nog afgedekt met zeilen, enkelen woningen zijn volledig cabrio en sommige gebouwen liggen plat. Het aantal werven overtreft vele malen het aantal dakwerkers. De mensen spreken van winden van meer dan 200 km/uur en dat de hele nacht aan één stuk door… moet best akelig geweest zijn. Het regenwoud is één kruinloze puinhoop en het is er abnormaal licht. Voor de casuari is het in dit vernielde woud moeilijk eten te vinden en er worden vanuit de lucht vruchten gedropt om de met uitsterven bedreigde beestjes uit de nood te helpen. Ondanks hun formaat zijn deze vogels niet gemakkelijk te spotten in het bos, de prijs op hun hoofd is gewoontegetrouw een ijsje en Finke weet dat te verzilveren.
Dit is het tropische deel van Queensland en de kustlijn is even idyllisch als verraderlijk. Krokodillen, haaien en box-jellyfish zorgen ervoor dat je van de duizenden kilometers strand toch maar in de kleine stukjes gaat zwemmen die afgesloten zijn met netten.
Deze gevaarlijke beestjes brengen ons terug bij de giftige gozers van in het begin van onze reis. We rijden dagen aan een stuk tussen het suikerriet en naast de cynische vaststelling dat onze suikerpot leeg is, zullen we ook geweten hebben dat dit de streek is waar in de jaren dertig de cane toads zijn uitgezet.
Het is dweilen met de kraan open, maar vol goede moed gaan we ‘s avonds weer op jacht, om ons dagrecord naar meer dan 50 te brengen, twee plastic zakken vol. Onze kids vinden het dolle pret en Finke komt trots met vijf vette padden in één hand haar vangst demonstreren. De vrouwelijke reizigers waarmee wij op dat moment een babbeltje zitten te doen, blijken dan plots drie banken verder te zitten en beginnen collectief, als ware het telepathisch besloten, ‘tikkerke op den hoge’ te spelen.
Zo komen we dan in Cairns uit de brush tevoorschijn om zes dagen op een camping te gaan, synoniem voor vaak douchen en ovenbereide maaltijden. Het dagje snorkelen in het Great Barrier Reef is wel duurder maar naar onze mening niet mooier dan snorkelen aan de Westkust. Waar je ginds gewoon van het strand af snorkelt, ben je hier lang onderweg van en naar het rif en is de resterende tijd één rush, spijtig.
Op de camping zijn nog drie rondreizende gezinnen en het wordt een vrolijke boel. Eenmaal ’s morgens het lesuurtje voorbij wordt het tikkerke met waterspuiters, op steps, rollerblades en fietsjes. Het lijkt wel een speelplaats maar dan zonder de meedogenloze bel die de kinderen mooi opgelijnd weer naar binnen jaagt.
We nemen met tegenzin afscheid, maar de ons resterende tijd wordt al uitgedrukt in weken en niet meer in maanden, met nog zoveel te zien en te doen.
Verder noordwaarts langs de oostkust gaan we, totaal onverschillig voor wat Sint Gerardus er van mag vinden, eens een kijkje nemen in Mission Beach. Een paar maanden geleden is cycloon Yasi hier doorheen geraasd en vele daken zijn nog afgedekt met zeilen, enkelen woningen zijn volledig cabrio en sommige gebouwen liggen plat. Het aantal werven overtreft vele malen het aantal dakwerkers. De mensen spreken van winden van meer dan 200 km/uur en dat de hele nacht aan één stuk door… moet best akelig geweest zijn. Het regenwoud is één kruinloze puinhoop en het is er abnormaal licht. Voor de casuari is het in dit vernielde woud moeilijk eten te vinden en er worden vanuit de lucht vruchten gedropt om de met uitsterven bedreigde beestjes uit de nood te helpen. Ondanks hun formaat zijn deze vogels niet gemakkelijk te spotten in het bos, de prijs op hun hoofd is gewoontegetrouw een ijsje en Finke weet dat te verzilveren.
Dit is het tropische deel van Queensland en de kustlijn is even idyllisch als verraderlijk. Krokodillen, haaien en box-jellyfish zorgen ervoor dat je van de duizenden kilometers strand toch maar in de kleine stukjes gaat zwemmen die afgesloten zijn met netten.
Deze gevaarlijke beestjes brengen ons terug bij de giftige gozers van in het begin van onze reis. We rijden dagen aan een stuk tussen het suikerriet en naast de cynische vaststelling dat onze suikerpot leeg is, zullen we ook geweten hebben dat dit de streek is waar in de jaren dertig de cane toads zijn uitgezet.
Het is dweilen met de kraan open, maar vol goede moed gaan we ‘s avonds weer op jacht, om ons dagrecord naar meer dan 50 te brengen, twee plastic zakken vol. Onze kids vinden het dolle pret en Finke komt trots met vijf vette padden in één hand haar vangst demonstreren. De vrouwelijke reizigers waarmee wij op dat moment een babbeltje zitten te doen, blijken dan plots drie banken verder te zitten en beginnen collectief, als ware het telepathisch besloten, ‘tikkerke op den hoge’ te spelen.
Zo komen we dan in Cairns uit de brush tevoorschijn om zes dagen op een camping te gaan, synoniem voor vaak douchen en ovenbereide maaltijden. Het dagje snorkelen in het Great Barrier Reef is wel duurder maar naar onze mening niet mooier dan snorkelen aan de Westkust. Waar je ginds gewoon van het strand af snorkelt, ben je hier lang onderweg van en naar het rif en is de resterende tijd één rush, spijtig.
Op de camping zijn nog drie rondreizende gezinnen en het wordt een vrolijke boel. Eenmaal ’s morgens het lesuurtje voorbij wordt het tikkerke met waterspuiters, op steps, rollerblades en fietsjes. Het lijkt wel een speelplaats maar dan zonder de meedogenloze bel die de kinderen mooi opgelijnd weer naar binnen jaagt.
We nemen met tegenzin afscheid, maar de ons resterende tijd wordt al uitgedrukt in weken en niet meer in maanden, met nog zoveel te zien en te doen.
zaterdag 21 mei 2011
viva vegemite!
Gist- en moutextract met veel zout: Vegemite! Een Australisch icoon en dus een must-taste voor ons. In het begin van de reis hadden we een pot gekocht, tegen beter weten in een veel te grote. De proefsessie verliep als volgt: enthousiasme (het lijkt ten slotte op choco) - hap 1 - gezicht vertoont allerhande akelige grimassen - het idee van een normale transit wordt onmiddellijk verworpen - einde proefsessie. De test van kind twee verloopt gelijkaardig, maar dan zonder het enthousiasme in het begin.
Toch zijn we fans van het product en dat komt zo: we stonden ten tijde van deze proefsessie aan de Devils Marbles in Centraal Australië, vlak naast een caravan van twee grey nomads. Het potje Vegemite was een beetje als een granaat met de pin eruit: we konden er niet snel genoeg vanaf geraken en besloten het aan hen te geven. Het klinkt wansmakelijk maar een Australiër is oprecht blij met een pot Vegemite en er volgde een gezellige babbel, gevolgd door nog één en nog één. Nadien ontmoetten we elkaar weer in Alice, maar veel straffer: na elk een andere kant te zijn uitgereden, liepen we elkaar onverwacht, na meer dan een maand en dik 4000 km verder, weer tegen het lijf!
Zo komt het dat we nu op bezoek gaan bij mensen die we 10 maanden geleden hebben leren kennen, locatie: Sunshine Coast, Queensland. Deze fantastische mensen verwennen ons, het is een verlof in de reis: we logeren drie dagen all-inclusive, geleide rondritten, een echt bed, strand én een warme douche erna, zelfs de paasklokken komen. En herinnert u zich Lieven zijn peeke in Australië, al dat water en aan de kant moeten blijven staan? Boot uit de garage en we varen de Noosa river af, een begrip in Australië. Prachtig weer, gezellige kreekjes, huisjes met aanlegsteiger en voor iemand als Richard Branson een eigen eiland. De stijging van het waterniveau is eerder te wijten aan ons gekwijl dan aan de getijden en hééél eventjes is dromen van hier wonen onvermijdelijk, onmiddellijk gecounterd door de afstand van familie en vrienden en de prijzen. We nemen dankbaar afscheid van Les en Sharyl in de hoop hen eens in België te mogen ontvangen. Terwijl ik dit schrijf reizen ze door Europa en gaan met de bus van Amsterdam naar Parijs zonder dat België nog maar vermeld wordt op hun reisschema … zou het dan inderdaad niet meer bestaan?
Na de luxe duiken we weer de natuur in: Carnarvon gorge NP. De wandeling door het park is er één met klimmen en dalen en we moeten ettelijke keren door de rivier waden omdat het water nog te hoog staat. De ingrediënten dus voor een boeiende tocht en de kids verbreken hun eigen record, ze wandelen 15km in één dag, zonder zeuren of klagen. Chapeau, vooral voor Chim zijn nu nog vijfjarige beentjes.
Na de goudkoorts gaan we voor de edelsteentjes, een ander geologisch relikwie dat het land rijk is. In de outback is er vanalles te vinden voor de volhouder met enige kennis van zake. Dat laatste ontbreken we met onderscheiding, maar een lieve, ietwat zotte mevrouw die verslaafd is aan ‘gemstones’ zoeken, helpt ons op weg. Het wordt een dagje wroeten tussen zand en steentjes met als resultaat meer dan 400 rode garnets, zo klein dat de serieuze ‘fossickers’ ze zelfs niet zouden oprapen. Maar het was wel leuk, zeker toen Finke ons potje omstootte.
We kamperen in een wei in het stadje Sapphire (klinkt chic voor een plek waar de koeien en de parelhoenen door de straten zwerven) waar een hele gemeenschap in caravans en onder golfplaten leeft. Dag in dag uit zijn ze op zoek naar de transparante steentjes in alle mogelijke kleuren. Een deel van hen doet het zelfs om den brode, maar veel meer dan dat zit er meestal niet in. Het is een wereldje apart en ze menen het serieus, inclusief tunnels graven, zelfgebouwde machines om edelsteentjes van hun minder edele neefjes te scheiden, tot en met doodsbedreigingen voor wie op hun ’claim’ komt graven.
Een vriendelijk koppel hobbyisten (slechts drie maand per jaar !) leert ons de knepen van het vak. Het is hard werken, vaak in de hitte, veel stof vreten en leven van de hoop. Ze tonen ons hun collectie en we vinden het prachtig zolang ze niet in de typische gefaceteerde vormen zijn geslepen. Dan lijkt het immers allemaal gelijkaardige blingbling uit een winkel en niet meer dat unieke ruwe steentje dat miljoenen jaren in de Australische bodem zat. De kids keren elk met een steentje tentwaarts, weer een ervaring rijker.
Toch zijn we fans van het product en dat komt zo: we stonden ten tijde van deze proefsessie aan de Devils Marbles in Centraal Australië, vlak naast een caravan van twee grey nomads. Het potje Vegemite was een beetje als een granaat met de pin eruit: we konden er niet snel genoeg vanaf geraken en besloten het aan hen te geven. Het klinkt wansmakelijk maar een Australiër is oprecht blij met een pot Vegemite en er volgde een gezellige babbel, gevolgd door nog één en nog één. Nadien ontmoetten we elkaar weer in Alice, maar veel straffer: na elk een andere kant te zijn uitgereden, liepen we elkaar onverwacht, na meer dan een maand en dik 4000 km verder, weer tegen het lijf!
Zo komt het dat we nu op bezoek gaan bij mensen die we 10 maanden geleden hebben leren kennen, locatie: Sunshine Coast, Queensland. Deze fantastische mensen verwennen ons, het is een verlof in de reis: we logeren drie dagen all-inclusive, geleide rondritten, een echt bed, strand én een warme douche erna, zelfs de paasklokken komen. En herinnert u zich Lieven zijn peeke in Australië, al dat water en aan de kant moeten blijven staan? Boot uit de garage en we varen de Noosa river af, een begrip in Australië. Prachtig weer, gezellige kreekjes, huisjes met aanlegsteiger en voor iemand als Richard Branson een eigen eiland. De stijging van het waterniveau is eerder te wijten aan ons gekwijl dan aan de getijden en hééél eventjes is dromen van hier wonen onvermijdelijk, onmiddellijk gecounterd door de afstand van familie en vrienden en de prijzen. We nemen dankbaar afscheid van Les en Sharyl in de hoop hen eens in België te mogen ontvangen. Terwijl ik dit schrijf reizen ze door Europa en gaan met de bus van Amsterdam naar Parijs zonder dat België nog maar vermeld wordt op hun reisschema … zou het dan inderdaad niet meer bestaan?
Na de luxe duiken we weer de natuur in: Carnarvon gorge NP. De wandeling door het park is er één met klimmen en dalen en we moeten ettelijke keren door de rivier waden omdat het water nog te hoog staat. De ingrediënten dus voor een boeiende tocht en de kids verbreken hun eigen record, ze wandelen 15km in één dag, zonder zeuren of klagen. Chapeau, vooral voor Chim zijn nu nog vijfjarige beentjes.
Na de goudkoorts gaan we voor de edelsteentjes, een ander geologisch relikwie dat het land rijk is. In de outback is er vanalles te vinden voor de volhouder met enige kennis van zake. Dat laatste ontbreken we met onderscheiding, maar een lieve, ietwat zotte mevrouw die verslaafd is aan ‘gemstones’ zoeken, helpt ons op weg. Het wordt een dagje wroeten tussen zand en steentjes met als resultaat meer dan 400 rode garnets, zo klein dat de serieuze ‘fossickers’ ze zelfs niet zouden oprapen. Maar het was wel leuk, zeker toen Finke ons potje omstootte.
We kamperen in een wei in het stadje Sapphire (klinkt chic voor een plek waar de koeien en de parelhoenen door de straten zwerven) waar een hele gemeenschap in caravans en onder golfplaten leeft. Dag in dag uit zijn ze op zoek naar de transparante steentjes in alle mogelijke kleuren. Een deel van hen doet het zelfs om den brode, maar veel meer dan dat zit er meestal niet in. Het is een wereldje apart en ze menen het serieus, inclusief tunnels graven, zelfgebouwde machines om edelsteentjes van hun minder edele neefjes te scheiden, tot en met doodsbedreigingen voor wie op hun ’claim’ komt graven.
Een vriendelijk koppel hobbyisten (slechts drie maand per jaar !) leert ons de knepen van het vak. Het is hard werken, vaak in de hitte, veel stof vreten en leven van de hoop. Ze tonen ons hun collectie en we vinden het prachtig zolang ze niet in de typische gefaceteerde vormen zijn geslepen. Dan lijkt het immers allemaal gelijkaardige blingbling uit een winkel en niet meer dat unieke ruwe steentje dat miljoenen jaren in de Australische bodem zat. De kids keren elk met een steentje tentwaarts, weer een ervaring rijker.
donderdag 5 mei 2011
keerweer Nova Hollandia
Een Australisch visum is eigenlijk een klucht… we staan nog in de luchthaven in Nieuw Zeeland als blijkt dat we niet naar Australië mogen wegens vervallen visum! Het was een jaar geldig vanaf de dag dat we Australië binnenkwamen maar, en dat stond nergens vermeld en werd ons ook niet gezegd: vanaf het moment dat je het land verlaat, geldt plots de dag van aanvraag als startdatum. Vermits we ze ruim op voorhand hadden aangevraagd, kwestie van geen vluchten te boeken zonder visum, was ons visum in januari stiekem vervallen.
Er staat op dat het niet verlengbaar is, maar we kunnen gelukkig wel gewoon een nieuw aanvragen… logisch is het niet. De filosofie erachter moet zoiets zijn van: You can stay, as long as you pay.
Onze tenten, die in Sydney voor herstelling binnen waren, blijken onherstelbaar te zijn. De vele uren dat de zon in de loop van 16 maanden door het gaatje in de ozonlaag is komen piepen, heeft de ‘ripstop’ van het tentmateriaal van zijn ‘stop’ ontdaan… er blijft enkel nog ‘rip’ over, op verschillende plaatsen beginnen ze gewoon te scheuren. De eens oranje touwen zijn wit geworden en verpulveren als je ze vastneemt. Na eindeloos veel bellen, mailen en discuteren kunnen we voor een relatief prikje twee haast ongebruikte tenten in de plaats krijgen. Zo kunnen we aan onze laatste etappe Australië beginnen, al heeft Marleen na de mobilhome bepaald geen zin meer in een canvaswoning.
Wel hebben we allemaal het gevoel na drie maanden weer thuis te komen. Ook al is Nieuw Zeeland mooi, na een overdosis schapen is het heerlijk om weer goanna’s, bandicoots, spinnen en waterdragons op bezoek te krijgen. De vertrouwde kookaburra doet weer dienst als wekker, al moeten we toegeven dat hij wat vroeg ‘afgaat’.
In Sydney brengen we het beloofde bezoekje aan het aquarium dat was uitgesteld omdat het er begin januari waanzinnig druk was. De replica van de Endeavour ligt ernaast en is ondertussen weer van masten en zeilen voorzien en bijna klaar voor zijn reis rond Australië (kwijl, kwijl,…). Het Duyfken ligt er nu ook, een verrassend klein schip van de VOIC dat als eerste van een hele reeks Nederlandse schepen Australië verkende, 110 jaar voor James Cook. Ze volgden de westkust van Cape York tot aan Cape Keerweer waar ze, je raadt het nooit, terugkeerden. Het was verstandiger geweest van onze noorderburen (toen nog onze landgenoten, ook dat was verstandiger) om hier in ‘Nova Hollandia’ te blijven. Al had kolonisatie zonder de meer dan 60.000 veroordeelde dwangarbeiders geen sinecure geweest.
Wij nemen de niet-toeristische route door de Blue Mountains en na een ruige off-road komen we op een tof kampeerplekje terecht. Van een inboorling komen we te weten dat er een paadje naar een watervalletje leidt waar er glowworms zitten. We doen de wandeling al eens overdag, kwestie van de weg ook in het donker terug te kunnen vinden, en hebben eventjes geluk: aan de rand van het pad ligt er een red bellied blacksnake te zonnen en Nio stapt er vlak naast zonder ze te zien… oef. Normaal ziet hij het kleinste beestje, maar een dodelijke slang van een meter?
Terwijl Nick Nuyens naar eeuwige roem fietst, stappen we in het donker terug naar de waterval en het zicht is onbeschrijflijk. Toch proberen: een lange kloof van slechts enkele meters breed, een riviertje en overhangende rotsen die langs onder bekleed zijn met een melkweg van wel duizenden lichtgevende larven. We hebben er al gezien op drukbezochte plaatsen in Tasmanië en Nieuw Zeeland, maar dit is vele malen mooier. Het zijn er zoveel en zo helder dat we elkaar zonder zaklamp kunnen zien in een maanloze nacht. Dit is een pareltje dat je niet in de Lonely Planet vindt (en dat houden we zo) en waar je graag een Ronde van Vlaanderen voor mist.
We beginnen aan onze trek naar het noorden, door het binnenland waar het veel minder druk is (het is hier ook Paasvakantie) en naar onze mening ook meer te zien is dan altijd maar de kust volgen. Iets boven Nundle is er ooit goud gevonden dus we halen onze pannen boven en slagen erin een stuk of tien stukjes uit de bedding van het riviertje te halen. Natuurlijk wel weer van ‘waar-is-het-pincet’ formaat,
Vlak bij Manilla ligt Mt Borah, waar een kerel met een passie voor deltavliegen de hele berg heeft gekocht, en nu is het er een Mekka voor parapente- en deltapiloten. Volgens ons Finke is haar grootste probleem nog steeds dat ze niet kan vliegen, en we gaan eens een kijkje nemen. Dat kijkje worden enkele dagen: overdag de berg op om de piloten bezig te zien, ‘s avonds tot laat met een supergezellige kliek rond het kampvuur en ‘s nachts bibberen in de tent. Het begint winter te worden en zoals in het begin van onze reis in hartje Australië, is het of kampvuur om op temperatuur te blijven of na het eten de slaapzak in. Sanitair en keuken zijn ronduit vuil, het enige dat hier telt is vliegen en relaxen, zelfs mensen uit het dorp vlakbij komen hier kamperen.
Er staat op dat het niet verlengbaar is, maar we kunnen gelukkig wel gewoon een nieuw aanvragen… logisch is het niet. De filosofie erachter moet zoiets zijn van: You can stay, as long as you pay.
Onze tenten, die in Sydney voor herstelling binnen waren, blijken onherstelbaar te zijn. De vele uren dat de zon in de loop van 16 maanden door het gaatje in de ozonlaag is komen piepen, heeft de ‘ripstop’ van het tentmateriaal van zijn ‘stop’ ontdaan… er blijft enkel nog ‘rip’ over, op verschillende plaatsen beginnen ze gewoon te scheuren. De eens oranje touwen zijn wit geworden en verpulveren als je ze vastneemt. Na eindeloos veel bellen, mailen en discuteren kunnen we voor een relatief prikje twee haast ongebruikte tenten in de plaats krijgen. Zo kunnen we aan onze laatste etappe Australië beginnen, al heeft Marleen na de mobilhome bepaald geen zin meer in een canvaswoning.
Wel hebben we allemaal het gevoel na drie maanden weer thuis te komen. Ook al is Nieuw Zeeland mooi, na een overdosis schapen is het heerlijk om weer goanna’s, bandicoots, spinnen en waterdragons op bezoek te krijgen. De vertrouwde kookaburra doet weer dienst als wekker, al moeten we toegeven dat hij wat vroeg ‘afgaat’.
In Sydney brengen we het beloofde bezoekje aan het aquarium dat was uitgesteld omdat het er begin januari waanzinnig druk was. De replica van de Endeavour ligt ernaast en is ondertussen weer van masten en zeilen voorzien en bijna klaar voor zijn reis rond Australië (kwijl, kwijl,…). Het Duyfken ligt er nu ook, een verrassend klein schip van de VOIC dat als eerste van een hele reeks Nederlandse schepen Australië verkende, 110 jaar voor James Cook. Ze volgden de westkust van Cape York tot aan Cape Keerweer waar ze, je raadt het nooit, terugkeerden. Het was verstandiger geweest van onze noorderburen (toen nog onze landgenoten, ook dat was verstandiger) om hier in ‘Nova Hollandia’ te blijven. Al had kolonisatie zonder de meer dan 60.000 veroordeelde dwangarbeiders geen sinecure geweest.
Wij nemen de niet-toeristische route door de Blue Mountains en na een ruige off-road komen we op een tof kampeerplekje terecht. Van een inboorling komen we te weten dat er een paadje naar een watervalletje leidt waar er glowworms zitten. We doen de wandeling al eens overdag, kwestie van de weg ook in het donker terug te kunnen vinden, en hebben eventjes geluk: aan de rand van het pad ligt er een red bellied blacksnake te zonnen en Nio stapt er vlak naast zonder ze te zien… oef. Normaal ziet hij het kleinste beestje, maar een dodelijke slang van een meter?
Terwijl Nick Nuyens naar eeuwige roem fietst, stappen we in het donker terug naar de waterval en het zicht is onbeschrijflijk. Toch proberen: een lange kloof van slechts enkele meters breed, een riviertje en overhangende rotsen die langs onder bekleed zijn met een melkweg van wel duizenden lichtgevende larven. We hebben er al gezien op drukbezochte plaatsen in Tasmanië en Nieuw Zeeland, maar dit is vele malen mooier. Het zijn er zoveel en zo helder dat we elkaar zonder zaklamp kunnen zien in een maanloze nacht. Dit is een pareltje dat je niet in de Lonely Planet vindt (en dat houden we zo) en waar je graag een Ronde van Vlaanderen voor mist.
We beginnen aan onze trek naar het noorden, door het binnenland waar het veel minder druk is (het is hier ook Paasvakantie) en naar onze mening ook meer te zien is dan altijd maar de kust volgen. Iets boven Nundle is er ooit goud gevonden dus we halen onze pannen boven en slagen erin een stuk of tien stukjes uit de bedding van het riviertje te halen. Natuurlijk wel weer van ‘waar-is-het-pincet’ formaat,
Vlak bij Manilla ligt Mt Borah, waar een kerel met een passie voor deltavliegen de hele berg heeft gekocht, en nu is het er een Mekka voor parapente- en deltapiloten. Volgens ons Finke is haar grootste probleem nog steeds dat ze niet kan vliegen, en we gaan eens een kijkje nemen. Dat kijkje worden enkele dagen: overdag de berg op om de piloten bezig te zien, ‘s avonds tot laat met een supergezellige kliek rond het kampvuur en ‘s nachts bibberen in de tent. Het begint winter te worden en zoals in het begin van onze reis in hartje Australië, is het of kampvuur om op temperatuur te blijven of na het eten de slaapzak in. Sanitair en keuken zijn ronduit vuil, het enige dat hier telt is vliegen en relaxen, zelfs mensen uit het dorp vlakbij komen hier kamperen.
donderdag 31 maart 2011
the bletpeps
Dat je in NZ zowat overal mag kamperen is voorgoed verleden tijd, zonder dat er, zoals in AU, een alternatief wordt geboden voor mensen die niet telkens naar een camping willen. Met een camper is het minder moeilijk dan met een tent, maar het blijft wat plan trekken. Tegen onze verwachtingen in is het op het Noordereiland juist gemakkelijker om vrij te kamperen dan in het veel minder bevolkte Zuidereiland, waar een doorstreept tentje zowat het meest voorkomende verbodsbord moet zijn.
We vinden een plekje in een park aan de rand van Wellington om van daaruit de stad te verkennen, het Te Papa museum te bezoeken en de sfeer van een muziekfestivalletje op te snuiven.
In verschillende steden en dorpen hangen de vlaggen halfstok, dat dit uit sympathie met Christchurch zou zijn wordt door Finke van tafel geveegd: “dat is omdat de Nutella uitverkocht is!” En effectief, winkel na winkel is er in plaats van de welbekende chocopotten enkel nog een gapende holte in de rekken te bespeuren. De eerstvolgende stad waar de vlaggen hoog hangen, nemen we de proef op de som en Finke wijst triomfantelijk een rek vol Nutellapotten aan.
We rijden richting Mount Taranaki en brengen een bezoekje aan Heidi, de tante van Fleur en Sarah uit Nio en Finke hun klas. Zij woont hier in het groen met in de verte de gepensioneerde vulkaan.
De Forgotten Highway brengt ons naar Tongariro NP, waar doorheen een dagtocht loopt over vulkanen, langs kraters en kratermeren en waar links en rechts stoom uit de grond komt gesist. Te lang voor Marleen haar pijnlijke beenscharnieren en te zwaar voor de kids dus trekt Lieven er alleen op uit. De Tongariro Crossing wordt een dag vol actie, met de beklimming van de Ngauruhoe, een ingedommelde lavabraker, als extraatje erbij. Resultaat: naast een mooie ervaring, een hoop foto’s en een restaurantbezoek met Jith en Preet die we een lift gaven, ook nog stijve spieren als aandenken.
Waar de meeste mensen het Zuidereiland het mooiste vinden, gaat onze voorkeur toch uit naar de vulkanen, hotpools, geisers en dramatische, buitenaardse landschappen van het Noordereiland. Vooral naar de bubbelende modderpoelen kunnen we met het hele gezinnetje gemakkelijk een half uur zitten gapen.
In het licht naar zwavel ruikende Rotorua gaan we ook nog naar een benefietconcert van allerhande Maorigroepen ten voordele van Christchurch. De typische Maoridansen zijn indrukkwekkend, met de kwade getatoeëerde gezichten, witte ogen, geroep en ritmisch gestamp op de grond. Chim is onder de indruk en fluistert vol ontzag in papa zijn oor: “de Mamori’s zijn nog wilder dan mij…” Gevolg is wel dat de imitatiedrang, (die ons vroeger na iedere aflevering van The A-team ons vierzonig huishouden op stelten deed zetten), Chim erin doet slagen de ‘Mamori’s’ toch haast te evenaren.
We zijn enkele van de weinige blanken in de zaal en de presentatie is net als de zang in het Maori. Hetgeen dan toch in het Engels wordt gezegd, verstaan de kinderen evenmin. Niet omdat ze geen Engels verstaan, want ze spreken het bijna constant onder elkaar, enig probleem is dat dat hún Engels is. Bij de Monopoly klinkt dat zo: “Koping you that?” Het antwoord is dan “No way’ of ‘Yes way’. Op de opmerking dat ze bijvoorbeeld moeten vragen “Are you buying this?” wordt prompt met een zucht geantwoord: “My onthouwing it no!” gevolgd door een nog diepere ouderlijke zucht.
Het laatste Maori optreden was van een groep in hun traditionele (gebrek aan) kledij. De blote poepen vonden onze gasten hilarisch en nu je enigszins vertrouwd bent met hun Engels wordt de titel van dit bericht misschien duidelijk.
In tegenstelling tot de Aboriginals in Australië, die al gedurende een paar eeuwen een minderwaardigheidscomplex zijn aangepraat, dragen de meeste Maori’s hun afkomst, evenals enig overgewicht, met trots. In Australië leven de twee culturen grotendeels naast elkaar, hier vloeien ze veel beter in elkaar over.
In onze laatste week voor we terugvliegen naar Australië, bezoeken we het Coromandel schiereiland en dat verloopt allesbehalve vlot. Eerst een omweg naar het ziekenhuis omdat Nio na een val Herr Flick gedrag vertoont. Gelukkig blijkt zijn gezwollen voet niet gebroken te zijn. Weer op weg en na een nacht regen is er een brug overstroomd. We rijden dan maar het hele schiereiland rond om voor een ander overstroomd stuk weer te stranden. Het wordt wachten tot het water voldoende gezakt is, al keuvelend met andere deelnemers aan de file. Zowaar een file! … een concept dat nog vaag herinneringen oproept uit een vorig leven.
We vinden een plekje in een park aan de rand van Wellington om van daaruit de stad te verkennen, het Te Papa museum te bezoeken en de sfeer van een muziekfestivalletje op te snuiven.
In verschillende steden en dorpen hangen de vlaggen halfstok, dat dit uit sympathie met Christchurch zou zijn wordt door Finke van tafel geveegd: “dat is omdat de Nutella uitverkocht is!” En effectief, winkel na winkel is er in plaats van de welbekende chocopotten enkel nog een gapende holte in de rekken te bespeuren. De eerstvolgende stad waar de vlaggen hoog hangen, nemen we de proef op de som en Finke wijst triomfantelijk een rek vol Nutellapotten aan.
We rijden richting Mount Taranaki en brengen een bezoekje aan Heidi, de tante van Fleur en Sarah uit Nio en Finke hun klas. Zij woont hier in het groen met in de verte de gepensioneerde vulkaan.
De Forgotten Highway brengt ons naar Tongariro NP, waar doorheen een dagtocht loopt over vulkanen, langs kraters en kratermeren en waar links en rechts stoom uit de grond komt gesist. Te lang voor Marleen haar pijnlijke beenscharnieren en te zwaar voor de kids dus trekt Lieven er alleen op uit. De Tongariro Crossing wordt een dag vol actie, met de beklimming van de Ngauruhoe, een ingedommelde lavabraker, als extraatje erbij. Resultaat: naast een mooie ervaring, een hoop foto’s en een restaurantbezoek met Jith en Preet die we een lift gaven, ook nog stijve spieren als aandenken.
Waar de meeste mensen het Zuidereiland het mooiste vinden, gaat onze voorkeur toch uit naar de vulkanen, hotpools, geisers en dramatische, buitenaardse landschappen van het Noordereiland. Vooral naar de bubbelende modderpoelen kunnen we met het hele gezinnetje gemakkelijk een half uur zitten gapen.
In het licht naar zwavel ruikende Rotorua gaan we ook nog naar een benefietconcert van allerhande Maorigroepen ten voordele van Christchurch. De typische Maoridansen zijn indrukkwekkend, met de kwade getatoeëerde gezichten, witte ogen, geroep en ritmisch gestamp op de grond. Chim is onder de indruk en fluistert vol ontzag in papa zijn oor: “de Mamori’s zijn nog wilder dan mij…” Gevolg is wel dat de imitatiedrang, (die ons vroeger na iedere aflevering van The A-team ons vierzonig huishouden op stelten deed zetten), Chim erin doet slagen de ‘Mamori’s’ toch haast te evenaren.
We zijn enkele van de weinige blanken in de zaal en de presentatie is net als de zang in het Maori. Hetgeen dan toch in het Engels wordt gezegd, verstaan de kinderen evenmin. Niet omdat ze geen Engels verstaan, want ze spreken het bijna constant onder elkaar, enig probleem is dat dat hún Engels is. Bij de Monopoly klinkt dat zo: “Koping you that?” Het antwoord is dan “No way’ of ‘Yes way’. Op de opmerking dat ze bijvoorbeeld moeten vragen “Are you buying this?” wordt prompt met een zucht geantwoord: “My onthouwing it no!” gevolgd door een nog diepere ouderlijke zucht.
Het laatste Maori optreden was van een groep in hun traditionele (gebrek aan) kledij. De blote poepen vonden onze gasten hilarisch en nu je enigszins vertrouwd bent met hun Engels wordt de titel van dit bericht misschien duidelijk.
In tegenstelling tot de Aboriginals in Australië, die al gedurende een paar eeuwen een minderwaardigheidscomplex zijn aangepraat, dragen de meeste Maori’s hun afkomst, evenals enig overgewicht, met trots. In Australië leven de twee culturen grotendeels naast elkaar, hier vloeien ze veel beter in elkaar over.
In onze laatste week voor we terugvliegen naar Australië, bezoeken we het Coromandel schiereiland en dat verloopt allesbehalve vlot. Eerst een omweg naar het ziekenhuis omdat Nio na een val Herr Flick gedrag vertoont. Gelukkig blijkt zijn gezwollen voet niet gebroken te zijn. Weer op weg en na een nacht regen is er een brug overstroomd. We rijden dan maar het hele schiereiland rond om voor een ander overstroomd stuk weer te stranden. Het wordt wachten tot het water voldoende gezakt is, al keuvelend met andere deelnemers aan de file. Zowaar een file! … een concept dat nog vaag herinneringen oproept uit een vorig leven.
vrijdag 11 maart 2011
sappig
In de Otago Peninsula gaan we op bezoek bij Beatrice, die we bij John en Rruth op de boerderij ontmoetten, en genieten er van zalige versgebakken scones. Eenmaal het stopt met regenen gaan we albatrossen en pinguïns bewonderen. Het is telkens een prachtig zicht als er in de schemering een tros blauwe pinguïns komt aanzwemmen. Het lijkt wel een uiteengespatte dolfijn waarvan de fragmenten nietsvermoedend verder zwemmen, afwisselend door water en lucht. Dan gaan we rustig zitten wachten terwijl het snel donker wordt en een tijdje later waggelen de beestjes vlak naast Finke en Marleen voorbij, op weg naar hun nesten.
Weiden, schapen en onder de niet aflatende geseling van de roaring fourties kromgegroeide bomen… het zuiden van het Zuidereiland is zo niet ons ding. Uitzondering zijn de versteende bomen en plantenfossielen aan Curio Bay. Fascinerend om zo’n versteende tijdscapsule te openen en daarin prachtige varens te ontdekken van 270 miljoen jaar geleden. Een moeilijk te bevatten tijdsspanne, in vergelijking met de recente bezoekjes van Abel Tasman en James Cook. Deze laatste geldt hier bij de kinderen als veelgevraagd nagerecht: “Mogen we nen James?” (uit de Cookjesdoos, nvdr).
Over koekjes gesproken: in de winkels liggen hier ‘Belgian biscuits’, hoe ze aan die veronderstelde oorsprong komen is ons een raadsel, wij hebben ze in België nog nooit gezien (zie foto‘s). Andere dingen in de rekken zijn spijtig genoeg wel echt ’Made in Belgium’ zoals bijvoorbeeld de goedkoopste choco… transport over zee kost veel te weinig, milieu komt niet in de rekening voor. Alvast een alibi voor ons om Nutella (uit Australië) te kopen, al beseffen we dat we met deze reis op milieuvlak verre van vrijuit gaan. De kiwi’s, toch het symbool van Nieuw Zeeland, blijken meestal uit de V.S. of Italië te komen waar het nu winter is en hier hangen ze rijp aan de bomen.
Ander veelvoorkomend geïmporteerd fruit is de toerist, een soort financiële persappelsien. Het leven mag hier dan iets goedkoper zijn dan in Australië, alle activiteiten en toeristische attracties zijn ronduit duur. De vele adrenalinekraampjes laten we aan ons voorbij gaan, behalve eentje dat bij Lieven al irritant lang op het lijstje staat: een hemelduik, uitstappen op 4500 meter. De beloofde drie dagen durende Ludo-Dierckxsens-glimlach is wat overroepen maar dat het enigszins verslavend kan zijn, is wel duidelijk. De kostprijs is echter een heel doeltreffend antigif.
Wel een terecht verplicht nummertje is een boottocht door een fjord: Milford Sound. We zitten eerst een meer dan 24 uur durende regenbui uit, het regent hier 7 meter per jaar. We hebben tijd in vergelijking met de bussen vol slachtoffers van georganiseerde reizen die, onder het juk van een punctuele planning, de mist en regen in het fjord gaan bewonderen. We wachten op (volgens Nio) “die ene dag in het jaar dat de zon hier schijnt en ze alle foto’s voor in de boekskes maken”. Die dag komt er en we maken een lange wandeling naar een top voor een machtig uitzicht over de vallei, klauteren over rotsen tot aan de sneeuw en varen in stralend weer door een prachtig fjord met als kers op de taart watervallen van de voorbije regenperiode.
De gletsjers aan de westkust vallen tegen, onder het mom van veiligheid is het pad op een kilometer van de gletsjer al afgespannen. Om via een duidelijk, en gemakkelijk begaanbaar pad tot op een kleine 100 meter van het ijs te komen moet je inschrijven voor een georganiseerde ‘tocht’ met gids… We voelen ons weer bovengenoemde citrusvruchten, maar passen voor het persgedeelte. Voor een wandeling op het ijs, logischerwijze met gids, worden Finke en Chim te klein bevonden en we houden het dan maar bij datgene waarvoor we eigenlijk gekomen zijn. We genieten in alle rust van wandelingen in de natuur, over bergen en door rivieren. Weg van de volgeladen bussen die, zoals de typische rode 5kg netzakjes, worden opengetrokken waarna de begeerde vruchten eruit rollen om gewillig van hun budgettair sap te worden ontdaan.
Abel Tasman NP is prachtig en we doen er 2 dagtochten van het kusttraject. De stukken strand, die geregeld de wandeling door beboste heuvels onderbreken, zijn een leuke afwisseling en betekenen telkens speeltijd voor de kinderen. We vinden er een gammel vlot waarmee we schipbreukelingske kunnen spelen op het heldere water. Na meer dan 10 km klimmen, dalen en door mul zand stappen kan Chim met zijn korte, vijfjarige beentjes zelfs nog mee lopen voor hun favoriete wedstrijdje ‘om ter eerst de mobilhome aanraken’ (gewonnen door Finke).
We zitten dan in het noorden van het Zuidereiland, wat betekent dat dit stuk erop zit en we de boot nemen naar Wellington, op het Noordereiland. Op de boot praten we met mensen van Christchurch die de miserie even achter zich willen laten.
(Over de aardbeving, zie ons vorige bericht dat iets is uitgebreid.)
Weiden, schapen en onder de niet aflatende geseling van de roaring fourties kromgegroeide bomen… het zuiden van het Zuidereiland is zo niet ons ding. Uitzondering zijn de versteende bomen en plantenfossielen aan Curio Bay. Fascinerend om zo’n versteende tijdscapsule te openen en daarin prachtige varens te ontdekken van 270 miljoen jaar geleden. Een moeilijk te bevatten tijdsspanne, in vergelijking met de recente bezoekjes van Abel Tasman en James Cook. Deze laatste geldt hier bij de kinderen als veelgevraagd nagerecht: “Mogen we nen James?” (uit de Cookjesdoos, nvdr).
Over koekjes gesproken: in de winkels liggen hier ‘Belgian biscuits’, hoe ze aan die veronderstelde oorsprong komen is ons een raadsel, wij hebben ze in België nog nooit gezien (zie foto‘s). Andere dingen in de rekken zijn spijtig genoeg wel echt ’Made in Belgium’ zoals bijvoorbeeld de goedkoopste choco… transport over zee kost veel te weinig, milieu komt niet in de rekening voor. Alvast een alibi voor ons om Nutella (uit Australië) te kopen, al beseffen we dat we met deze reis op milieuvlak verre van vrijuit gaan. De kiwi’s, toch het symbool van Nieuw Zeeland, blijken meestal uit de V.S. of Italië te komen waar het nu winter is en hier hangen ze rijp aan de bomen.
Ander veelvoorkomend geïmporteerd fruit is de toerist, een soort financiële persappelsien. Het leven mag hier dan iets goedkoper zijn dan in Australië, alle activiteiten en toeristische attracties zijn ronduit duur. De vele adrenalinekraampjes laten we aan ons voorbij gaan, behalve eentje dat bij Lieven al irritant lang op het lijstje staat: een hemelduik, uitstappen op 4500 meter. De beloofde drie dagen durende Ludo-Dierckxsens-glimlach is wat overroepen maar dat het enigszins verslavend kan zijn, is wel duidelijk. De kostprijs is echter een heel doeltreffend antigif.
Wel een terecht verplicht nummertje is een boottocht door een fjord: Milford Sound. We zitten eerst een meer dan 24 uur durende regenbui uit, het regent hier 7 meter per jaar. We hebben tijd in vergelijking met de bussen vol slachtoffers van georganiseerde reizen die, onder het juk van een punctuele planning, de mist en regen in het fjord gaan bewonderen. We wachten op (volgens Nio) “die ene dag in het jaar dat de zon hier schijnt en ze alle foto’s voor in de boekskes maken”. Die dag komt er en we maken een lange wandeling naar een top voor een machtig uitzicht over de vallei, klauteren over rotsen tot aan de sneeuw en varen in stralend weer door een prachtig fjord met als kers op de taart watervallen van de voorbije regenperiode.
De gletsjers aan de westkust vallen tegen, onder het mom van veiligheid is het pad op een kilometer van de gletsjer al afgespannen. Om via een duidelijk, en gemakkelijk begaanbaar pad tot op een kleine 100 meter van het ijs te komen moet je inschrijven voor een georganiseerde ‘tocht’ met gids… We voelen ons weer bovengenoemde citrusvruchten, maar passen voor het persgedeelte. Voor een wandeling op het ijs, logischerwijze met gids, worden Finke en Chim te klein bevonden en we houden het dan maar bij datgene waarvoor we eigenlijk gekomen zijn. We genieten in alle rust van wandelingen in de natuur, over bergen en door rivieren. Weg van de volgeladen bussen die, zoals de typische rode 5kg netzakjes, worden opengetrokken waarna de begeerde vruchten eruit rollen om gewillig van hun budgettair sap te worden ontdaan.
Abel Tasman NP is prachtig en we doen er 2 dagtochten van het kusttraject. De stukken strand, die geregeld de wandeling door beboste heuvels onderbreken, zijn een leuke afwisseling en betekenen telkens speeltijd voor de kinderen. We vinden er een gammel vlot waarmee we schipbreukelingske kunnen spelen op het heldere water. Na meer dan 10 km klimmen, dalen en door mul zand stappen kan Chim met zijn korte, vijfjarige beentjes zelfs nog mee lopen voor hun favoriete wedstrijdje ‘om ter eerst de mobilhome aanraken’ (gewonnen door Finke).
We zitten dan in het noorden van het Zuidereiland, wat betekent dat dit stuk erop zit en we de boot nemen naar Wellington, op het Noordereiland. Op de boot praten we met mensen van Christchurch die de miserie even achter zich willen laten.
(Over de aardbeving, zie ons vorige bericht dat iets is uitgebreid.)
Abonneren op:
Posts (Atom)