Het is meer dan vierduizend kilometer geleden dat we nog eens een verkeerslicht tegenkwamen en we beseffen meteen wat dat betekent: terminus Darwin!
Na een jaar van zwerven en we zien wel, van vuile handen en zwarte voeten, van kapotte kleren en stof vreten, van speren en steenbijlen, van recordhoeveelheden regen, van buitenleven in koude of hitte en toch een heel jaar niemand ziek… Het is voorbij: geen lauw water meer drinken, geen toads meer vangen, niet meer op de grond slapen, geen achterlijfjes van groene mieren meer leegzuigen, geen WC brillen meer nakijken voor redbackspiders, geen vliegen meer die dorsten naar oogsap, niet meer afwassen met een verstuiver… maar wel met water dat gewoon uit de kraan komt, warm indien gewenst, stoelen met een leuning, een slaapplaats die niet meer afhankelijk is van ondergrond, windrichting, schaduw, takken die naar beneden kunnen komen of hars dat van bomen druipt. Maar ook geen dieren meer rond de tent, geen weidse natuur, geen kampvuur, geen kookaburra-wekker en geen kraai met onze favoriete ‘platte-batterij-roep’.
De tijd is gekomen voor de Totté-tribe om, uitblinkend in maatschappelijke onaangepastheid, terug richting beschaving te gaan. Nio droomt van Lego en boeken, Finke van spinaziepizza’s, Chim van Jommekesboeken, Marleen van een keuken en een bed dat klaarstaat en voor Lieven geen ‘Clancy of The Overflow’ meer (Banjo Paterson)… Het is ‘back to the office‘, met een deportatieloze veroordeling tot heimwee ‘for the term of his natural life’ (Marcus Clarke).
En allemaal zijn we benieuwd om familie en vrienden weer te zien en bij te praten. De kinderen proclameren al weken dat iedereen het weer gaat zeggen: ‘Amai gij zijt groot geworden!’
Op zo’n reis heb je de gelegenheid om wat na te denken en één en ander te beseffen:
- uw kinderen voor een intellectuele injectie naar school kunnen brengen is een luxe waar je nauwelijks stil bij staat.
- uw kinderen dag en nacht in de meest uiteenlopende situaties meemaken is een nog grotere luxe.
- uw kinderen elke minuut van elk uur van elke dag en nacht meemaken is soms om compleet ZOT van te worden. Misschien dat voor de kids een asielaanvraag binnen de familie nu wel aangewezen is. Enkele dagen parentaal verlof zal onze geduldbatterijen weer opladen, ook al zullen we hen na zo'n jaar permanent samen de volgende dag al missen.
- de wereld is een onwaarschijnlijk prachtige plek, zonde dat je er in België zo weinig van ziet.
- na een jaar geschiedenis te zien, te horen en te lezen, kan je niet anders dan besluiten dat je de geologische femtoseconde van je leven maar beter goed kan benutten.
- hopelijk hebben de kinderen er wat van opgestoken, al is het maar dat ervaringen het leven rijker maken dan bezittingen.
- Tip voor zij die er ook aan denken om met kinderen een jaar de mallemolen van het dagelijkse leven achter zich te laten: het is reizen, maar verwar het niet met verlof. De verwachtte zeeën van tijd zijn imaginair…. Maar toch doen!
Tenslotte nog dit:
Hoe groot zijn de kansen van een man die aan zijn vrouw vraagt om een jaar met drie kinderen aan de andere kant van de wereld rond te gaan zwerven?
Inderdaad, verwaarloosbaar klein en toegegeven, er zijn verstandiger manieren om zoiets aan te brengen. “Allez schatje, het is maar een jaar!” is ook niet meteen het effectiefste argument, ook al was hij begonnen over een reis van twee jaar om nadien toegeeflijk te kunnen zijn.
Hoe kan dat dan toch lukken? Ik zie u al verschillende mogelijkheden bedenken:
- of hij houdt langer vol dan de meesten
- of zij is deurmattig
- of hij is extreem manipulatief
- of de compensaties zijn exuberant en zullen de rest van zijn leven domineren
- of zij is gewoon ongelooflijk, moediger dan ze zelf zou inschatten en voorzien van een kleine overdosis altruïsme…
We houden het op het laatste.
In elk geval is zijn dankbaarheid niet aflatend, haast buitensporig maar dan nog ontoereikend en volledig doordrongen van het besef: dat pakt geen twee keer!
Lieven, Marleen, Nio (9 jaar), Finke (7 jaar) en Chim (5 jaar) reizen 1 jaar doorheen Australië en Nieuw-Zeeland
zondag 26 juni 2011
maandag 20 juni 2011
het niets
Een tijdje geleden kwamen we twee Duitse meisjes tegen die de afstand Darwin - Cairns (een 3000 km) afwisselend rijden/slapen in twee dagen hadden afgehaspeld “omdat ertussen toch niets is!” Ik kreeg spontaan hartritmestoornissen, onwillekeurige darmcontracties, tollende bloeddoorlopen ogen en chronische oorlelspasmen. (om maar te zeggen: om niet goed van te worden.) Onze wedervaren in ‘het niets’:
Eenmaal Chim zijn zesde verjaardag verteerd (hij wou pizza en pannenkoeken eten) verlaten we Cairns richting Undarra. We wandelen en zwemmen er in gigantische door lava gevormde tunnels. We varen een paar dagen later door de paradijselijke kloven van Cobbold Gorge, die zo smal zijn dat het elektrisch aangedreven bootje er niet kan draaien. Het ding heeft voor- en achteraan een motor en de schipper wisselt gewoon van plaats om terug te varen, een bijzondere plek. Een stel rivercrossings brengt ons naar Agate Creek, waar een namiddagje zoeken ons een hoopje agaten oplevert dat al ernstige vragen doet rijzen over hoeveel overgewicht we naar het vliegtuig dreigen te slepen. Lieven en de kids zouden hier kunnen blijven zoeken, maar we zitten door onze voedselvoorraad dus op naar een iets minder outbackerig plaatsje voor een winkel.
We komen nu stilaan in een gebied dat vele miljoenen jaren geleden de binnenzee van Australië vormde en gekend is voor fossielen en dinosaurussen. In het voorbijrijden zie je inderdaad niets, dus halen we materiaal boven en beginnen te graven op een ‘fossil site’. Best een spannend geduldwerkje en zoals bij alle voorgaande graafactiviteiten treedt verslaving onmiddellijk in. We slaan onze tent ter plekke op en vanaf de eerste zonnestralen is Nio alweer ontbijtloos verdwenen om te gaan graven. Het is eveneens de zon die beslist dat we ‘s avonds best stoppen.
De dag erna trekken we naar het labo van het museum in Richmond om onze vondsten te laten identificeren. Blijkbaar hebben we een fossiel botje van een schildpad bovengehaald, een onderkaak van een vis, belemnites (ruggengraten van prehistorische pijlinktvissen) en coprolite, niets meer dan een geleerde naam voor fossiele uitwerpselen. De boeiendste vondsten zijn echter een botje van de flipper en een ruggenwervel van een Ichthyosaurus van 100 miljoen jaar geleden… weer een termijn om van te duizelen! Hier in Richmond vinden ze dat allemaal best normaal, maar voor ons is het een superervaring om stukken op te graven van een meterslang dier met impressionante rijen tanden dat hier onbevattelijk lang geleden rondzwom. Nio en Lieven volgen dan een workshop in het labo om fossielen te leren kuisen en bewaren. Na een dagje tandartsgeluiden met een pneumatische drilnaald, zijn onze fossielen van steenresten ontdaan en voorzien van een beschermlaag.
Een paar honderd kilometer zuidelijker (naar Aussie-normen een dorp verder dus), bij Winton zijn het dan weer landdino’s die levens veranderen. Ook hier was het een landbouwer die per ongeluk fossielen vond, aan het opgraven sloeg en nu, dik tien jaar later, als afgestudeerd paleontoloog een museum en labo leidt en opgravingen coördineert.
Kinderen en dino’s zijn een goede combinatie en ze steken heel veel op, maar als we een site bezoeken waar duizenden sporen van dino’s te zien zijn, slaat de verveling toe. Het is weinig visueel, geen skeletten, wel veel uitleg in het Engels en voor de eerste keer in een museum schamen we ons voor het storende gedrag van Finke en Chim. Gelukkig is er tijdens die tour slechts één ander koppel dat veel begrip toont.
Niets zo motiverend voor onze kids als zelf graven en een aangenaam contact in Winton doet ons besluiten toch langs Opalton te rijden. John en Leanne nemen ons op sleeptouw langs hun en andere claims en wijden ons in in het wereldje van opalen. Resultaat: een keigezellige avond aan het kampvuur en weer wat kennis en gewicht om mee naar huis te nemen.
Onze kleren en schoenen zijn stilaan zo versleten dat veel de vlucht naar België niet gaat meemaken, hopelijk kunnen we zo één en ander compenseren. Na voedselvisioenen, die al enkele maanden geregeld de kop opsteken, begint de vlucht naar huis en het weerzien in België nu meer en meer onderwerp van gesprek uit te maken. Om het op z’n Chims te zeggen: “Ik heb nu zo lang gerezen dat ik van thuis niks meer weet.”
Eenmaal Chim zijn zesde verjaardag verteerd (hij wou pizza en pannenkoeken eten) verlaten we Cairns richting Undarra. We wandelen en zwemmen er in gigantische door lava gevormde tunnels. We varen een paar dagen later door de paradijselijke kloven van Cobbold Gorge, die zo smal zijn dat het elektrisch aangedreven bootje er niet kan draaien. Het ding heeft voor- en achteraan een motor en de schipper wisselt gewoon van plaats om terug te varen, een bijzondere plek. Een stel rivercrossings brengt ons naar Agate Creek, waar een namiddagje zoeken ons een hoopje agaten oplevert dat al ernstige vragen doet rijzen over hoeveel overgewicht we naar het vliegtuig dreigen te slepen. Lieven en de kids zouden hier kunnen blijven zoeken, maar we zitten door onze voedselvoorraad dus op naar een iets minder outbackerig plaatsje voor een winkel.
We komen nu stilaan in een gebied dat vele miljoenen jaren geleden de binnenzee van Australië vormde en gekend is voor fossielen en dinosaurussen. In het voorbijrijden zie je inderdaad niets, dus halen we materiaal boven en beginnen te graven op een ‘fossil site’. Best een spannend geduldwerkje en zoals bij alle voorgaande graafactiviteiten treedt verslaving onmiddellijk in. We slaan onze tent ter plekke op en vanaf de eerste zonnestralen is Nio alweer ontbijtloos verdwenen om te gaan graven. Het is eveneens de zon die beslist dat we ‘s avonds best stoppen.
De dag erna trekken we naar het labo van het museum in Richmond om onze vondsten te laten identificeren. Blijkbaar hebben we een fossiel botje van een schildpad bovengehaald, een onderkaak van een vis, belemnites (ruggengraten van prehistorische pijlinktvissen) en coprolite, niets meer dan een geleerde naam voor fossiele uitwerpselen. De boeiendste vondsten zijn echter een botje van de flipper en een ruggenwervel van een Ichthyosaurus van 100 miljoen jaar geleden… weer een termijn om van te duizelen! Hier in Richmond vinden ze dat allemaal best normaal, maar voor ons is het een superervaring om stukken op te graven van een meterslang dier met impressionante rijen tanden dat hier onbevattelijk lang geleden rondzwom. Nio en Lieven volgen dan een workshop in het labo om fossielen te leren kuisen en bewaren. Na een dagje tandartsgeluiden met een pneumatische drilnaald, zijn onze fossielen van steenresten ontdaan en voorzien van een beschermlaag.
Een paar honderd kilometer zuidelijker (naar Aussie-normen een dorp verder dus), bij Winton zijn het dan weer landdino’s die levens veranderen. Ook hier was het een landbouwer die per ongeluk fossielen vond, aan het opgraven sloeg en nu, dik tien jaar later, als afgestudeerd paleontoloog een museum en labo leidt en opgravingen coördineert.
Kinderen en dino’s zijn een goede combinatie en ze steken heel veel op, maar als we een site bezoeken waar duizenden sporen van dino’s te zien zijn, slaat de verveling toe. Het is weinig visueel, geen skeletten, wel veel uitleg in het Engels en voor de eerste keer in een museum schamen we ons voor het storende gedrag van Finke en Chim. Gelukkig is er tijdens die tour slechts één ander koppel dat veel begrip toont.
Niets zo motiverend voor onze kids als zelf graven en een aangenaam contact in Winton doet ons besluiten toch langs Opalton te rijden. John en Leanne nemen ons op sleeptouw langs hun en andere claims en wijden ons in in het wereldje van opalen. Resultaat: een keigezellige avond aan het kampvuur en weer wat kennis en gewicht om mee naar huis te nemen.
Onze kleren en schoenen zijn stilaan zo versleten dat veel de vlucht naar België niet gaat meemaken, hopelijk kunnen we zo één en ander compenseren. Na voedselvisioenen, die al enkele maanden geregeld de kop opsteken, begint de vlucht naar huis en het weerzien in België nu meer en meer onderwerp van gesprek uit te maken. Om het op z’n Chims te zeggen: “Ik heb nu zo lang gerezen dat ik van thuis niks meer weet.”
vrijdag 10 juni 2011
tikkerke
Broken River, 6 uur ‘s morgens en nevels over de bossen. Wij kruipen onze tent uit en de ochtendkilte in, hopend een platypus te zien. Dit normaal gezien verlegen beestje trekt zich hier niet veel van mensen aan en we zien er verschillende, zelfs uren aan een stuk tot Chim ze regelrecht beu is.
Verder noordwaarts langs de oostkust gaan we, totaal onverschillig voor wat Sint Gerardus er van mag vinden, eens een kijkje nemen in Mission Beach. Een paar maanden geleden is cycloon Yasi hier doorheen geraasd en vele daken zijn nog afgedekt met zeilen, enkelen woningen zijn volledig cabrio en sommige gebouwen liggen plat. Het aantal werven overtreft vele malen het aantal dakwerkers. De mensen spreken van winden van meer dan 200 km/uur en dat de hele nacht aan één stuk door… moet best akelig geweest zijn. Het regenwoud is één kruinloze puinhoop en het is er abnormaal licht. Voor de casuari is het in dit vernielde woud moeilijk eten te vinden en er worden vanuit de lucht vruchten gedropt om de met uitsterven bedreigde beestjes uit de nood te helpen. Ondanks hun formaat zijn deze vogels niet gemakkelijk te spotten in het bos, de prijs op hun hoofd is gewoontegetrouw een ijsje en Finke weet dat te verzilveren.
Dit is het tropische deel van Queensland en de kustlijn is even idyllisch als verraderlijk. Krokodillen, haaien en box-jellyfish zorgen ervoor dat je van de duizenden kilometers strand toch maar in de kleine stukjes gaat zwemmen die afgesloten zijn met netten.
Deze gevaarlijke beestjes brengen ons terug bij de giftige gozers van in het begin van onze reis. We rijden dagen aan een stuk tussen het suikerriet en naast de cynische vaststelling dat onze suikerpot leeg is, zullen we ook geweten hebben dat dit de streek is waar in de jaren dertig de cane toads zijn uitgezet.
Het is dweilen met de kraan open, maar vol goede moed gaan we ‘s avonds weer op jacht, om ons dagrecord naar meer dan 50 te brengen, twee plastic zakken vol. Onze kids vinden het dolle pret en Finke komt trots met vijf vette padden in één hand haar vangst demonstreren. De vrouwelijke reizigers waarmee wij op dat moment een babbeltje zitten te doen, blijken dan plots drie banken verder te zitten en beginnen collectief, als ware het telepathisch besloten, ‘tikkerke op den hoge’ te spelen.
Zo komen we dan in Cairns uit de brush tevoorschijn om zes dagen op een camping te gaan, synoniem voor vaak douchen en ovenbereide maaltijden. Het dagje snorkelen in het Great Barrier Reef is wel duurder maar naar onze mening niet mooier dan snorkelen aan de Westkust. Waar je ginds gewoon van het strand af snorkelt, ben je hier lang onderweg van en naar het rif en is de resterende tijd één rush, spijtig.
Op de camping zijn nog drie rondreizende gezinnen en het wordt een vrolijke boel. Eenmaal ’s morgens het lesuurtje voorbij wordt het tikkerke met waterspuiters, op steps, rollerblades en fietsjes. Het lijkt wel een speelplaats maar dan zonder de meedogenloze bel die de kinderen mooi opgelijnd weer naar binnen jaagt.
We nemen met tegenzin afscheid, maar de ons resterende tijd wordt al uitgedrukt in weken en niet meer in maanden, met nog zoveel te zien en te doen.
Verder noordwaarts langs de oostkust gaan we, totaal onverschillig voor wat Sint Gerardus er van mag vinden, eens een kijkje nemen in Mission Beach. Een paar maanden geleden is cycloon Yasi hier doorheen geraasd en vele daken zijn nog afgedekt met zeilen, enkelen woningen zijn volledig cabrio en sommige gebouwen liggen plat. Het aantal werven overtreft vele malen het aantal dakwerkers. De mensen spreken van winden van meer dan 200 km/uur en dat de hele nacht aan één stuk door… moet best akelig geweest zijn. Het regenwoud is één kruinloze puinhoop en het is er abnormaal licht. Voor de casuari is het in dit vernielde woud moeilijk eten te vinden en er worden vanuit de lucht vruchten gedropt om de met uitsterven bedreigde beestjes uit de nood te helpen. Ondanks hun formaat zijn deze vogels niet gemakkelijk te spotten in het bos, de prijs op hun hoofd is gewoontegetrouw een ijsje en Finke weet dat te verzilveren.
Dit is het tropische deel van Queensland en de kustlijn is even idyllisch als verraderlijk. Krokodillen, haaien en box-jellyfish zorgen ervoor dat je van de duizenden kilometers strand toch maar in de kleine stukjes gaat zwemmen die afgesloten zijn met netten.
Deze gevaarlijke beestjes brengen ons terug bij de giftige gozers van in het begin van onze reis. We rijden dagen aan een stuk tussen het suikerriet en naast de cynische vaststelling dat onze suikerpot leeg is, zullen we ook geweten hebben dat dit de streek is waar in de jaren dertig de cane toads zijn uitgezet.
Het is dweilen met de kraan open, maar vol goede moed gaan we ‘s avonds weer op jacht, om ons dagrecord naar meer dan 50 te brengen, twee plastic zakken vol. Onze kids vinden het dolle pret en Finke komt trots met vijf vette padden in één hand haar vangst demonstreren. De vrouwelijke reizigers waarmee wij op dat moment een babbeltje zitten te doen, blijken dan plots drie banken verder te zitten en beginnen collectief, als ware het telepathisch besloten, ‘tikkerke op den hoge’ te spelen.
Zo komen we dan in Cairns uit de brush tevoorschijn om zes dagen op een camping te gaan, synoniem voor vaak douchen en ovenbereide maaltijden. Het dagje snorkelen in het Great Barrier Reef is wel duurder maar naar onze mening niet mooier dan snorkelen aan de Westkust. Waar je ginds gewoon van het strand af snorkelt, ben je hier lang onderweg van en naar het rif en is de resterende tijd één rush, spijtig.
Op de camping zijn nog drie rondreizende gezinnen en het wordt een vrolijke boel. Eenmaal ’s morgens het lesuurtje voorbij wordt het tikkerke met waterspuiters, op steps, rollerblades en fietsjes. Het lijkt wel een speelplaats maar dan zonder de meedogenloze bel die de kinderen mooi opgelijnd weer naar binnen jaagt.
We nemen met tegenzin afscheid, maar de ons resterende tijd wordt al uitgedrukt in weken en niet meer in maanden, met nog zoveel te zien en te doen.
Abonneren op:
Posts (Atom)