Een tijdje geleden kwamen we twee Duitse meisjes tegen die de afstand Darwin - Cairns (een 3000 km) afwisselend rijden/slapen in twee dagen hadden afgehaspeld “omdat ertussen toch niets is!” Ik kreeg spontaan hartritmestoornissen, onwillekeurige darmcontracties, tollende bloeddoorlopen ogen en chronische oorlelspasmen. (om maar te zeggen: om niet goed van te worden.) Onze wedervaren in ‘het niets’:
Eenmaal Chim zijn zesde verjaardag verteerd (hij wou pizza en pannenkoeken eten) verlaten we Cairns richting Undarra. We wandelen en zwemmen er in gigantische door lava gevormde tunnels. We varen een paar dagen later door de paradijselijke kloven van Cobbold Gorge, die zo smal zijn dat het elektrisch aangedreven bootje er niet kan draaien. Het ding heeft voor- en achteraan een motor en de schipper wisselt gewoon van plaats om terug te varen, een bijzondere plek. Een stel rivercrossings brengt ons naar Agate Creek, waar een namiddagje zoeken ons een hoopje agaten oplevert dat al ernstige vragen doet rijzen over hoeveel overgewicht we naar het vliegtuig dreigen te slepen. Lieven en de kids zouden hier kunnen blijven zoeken, maar we zitten door onze voedselvoorraad dus op naar een iets minder outbackerig plaatsje voor een winkel.
We komen nu stilaan in een gebied dat vele miljoenen jaren geleden de binnenzee van Australië vormde en gekend is voor fossielen en dinosaurussen. In het voorbijrijden zie je inderdaad niets, dus halen we materiaal boven en beginnen te graven op een ‘fossil site’. Best een spannend geduldwerkje en zoals bij alle voorgaande graafactiviteiten treedt verslaving onmiddellijk in. We slaan onze tent ter plekke op en vanaf de eerste zonnestralen is Nio alweer ontbijtloos verdwenen om te gaan graven. Het is eveneens de zon die beslist dat we ‘s avonds best stoppen.
De dag erna trekken we naar het labo van het museum in Richmond om onze vondsten te laten identificeren. Blijkbaar hebben we een fossiel botje van een schildpad bovengehaald, een onderkaak van een vis, belemnites (ruggengraten van prehistorische pijlinktvissen) en coprolite, niets meer dan een geleerde naam voor fossiele uitwerpselen. De boeiendste vondsten zijn echter een botje van de flipper en een ruggenwervel van een Ichthyosaurus van 100 miljoen jaar geleden… weer een termijn om van te duizelen! Hier in Richmond vinden ze dat allemaal best normaal, maar voor ons is het een superervaring om stukken op te graven van een meterslang dier met impressionante rijen tanden dat hier onbevattelijk lang geleden rondzwom. Nio en Lieven volgen dan een workshop in het labo om fossielen te leren kuisen en bewaren. Na een dagje tandartsgeluiden met een pneumatische drilnaald, zijn onze fossielen van steenresten ontdaan en voorzien van een beschermlaag.
Een paar honderd kilometer zuidelijker (naar Aussie-normen een dorp verder dus), bij Winton zijn het dan weer landdino’s die levens veranderen. Ook hier was het een landbouwer die per ongeluk fossielen vond, aan het opgraven sloeg en nu, dik tien jaar later, als afgestudeerd paleontoloog een museum en labo leidt en opgravingen coördineert.
Kinderen en dino’s zijn een goede combinatie en ze steken heel veel op, maar als we een site bezoeken waar duizenden sporen van dino’s te zien zijn, slaat de verveling toe. Het is weinig visueel, geen skeletten, wel veel uitleg in het Engels en voor de eerste keer in een museum schamen we ons voor het storende gedrag van Finke en Chim. Gelukkig is er tijdens die tour slechts één ander koppel dat veel begrip toont.
Niets zo motiverend voor onze kids als zelf graven en een aangenaam contact in Winton doet ons besluiten toch langs Opalton te rijden. John en Leanne nemen ons op sleeptouw langs hun en andere claims en wijden ons in in het wereldje van opalen. Resultaat: een keigezellige avond aan het kampvuur en weer wat kennis en gewicht om mee naar huis te nemen.
Onze kleren en schoenen zijn stilaan zo versleten dat veel de vlucht naar België niet gaat meemaken, hopelijk kunnen we zo één en ander compenseren. Na voedselvisioenen, die al enkele maanden geregeld de kop opsteken, begint de vlucht naar huis en het weerzien in België nu meer en meer onderwerp van gesprek uit te maken. Om het op z’n Chims te zeggen: “Ik heb nu zo lang gerezen dat ik van thuis niks meer weet.”
Geen opmerkingen:
Een reactie posten